Door: Ludo Goossens,Voorzitter Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven
Er was een jonge, volkomen geïntegreerde Marokkaanse familie. De vader kwam in de jaren 70 als gastarbeider naar Nederland. Hij werkte zich krom. De moeder en kinderen kwamen later voor gezinshereniging. Het waren gewone, nette en constructieve mensen. De dochters, midden twintig, misschien 30 jaar nu, waren hoog opgeleid. Een zoon zat een beetje aan de rand van de samenleving, maar hij was geen crimineel.
Die zoon werd doodgeschoten omdat hij voor een ander werd aangezien. Een executie in het criminele milieu, maar helaas was een verkeerde man vermoord. In eerste instantie wees het Schadefonds Geweldsmisdrijven de aanvraag voor een financiële tegemoetkoming aan de nabestaanden af omdat bij de dode jongen op straat drugs werden aangetroffen. Eerst bestond het vermoeden dat hij dealde.
Toen de nabestaanden bezwaar maakten tegen de beslissing van het Schadefonds, werd verder gezocht. Ook het politieonderzoek vorderde intussen. Meer en meer ontstond de overtuiging dat er sprake was van een persoonsverwisseling. Wat zag ik: gebroken ouders, die voor het eerst na de dood van de zoon, meekwamen naar het kantoor van het Schadefonds. Zij konden niet vertellen over hun zoon, die op straat was vermoord. Twee sterke dochters, die wel konden vertellen over hun broer en hun huilende vader en moeder.
Ter voorbereiding op de behandeling van het bezwaar had het Schadefonds intussen in een intensief contact met de politie boven water gehaald dat er vrijwel zeker sprake was van een persoonsverwisseling. Nieuwe situatie: kapot gezin, gebroken ouders, sterke dochters in een gesprek over een zoon die dood op straat lag , slachtoffer van een liquidatie die niet voor hem bedoeld was. Het bezwaar van de nabestaanden was gegrond. Zij kregen een financiële tegemoetkoming van het Schadefonds.
Dat gesprek, die erkenning, het verzachten van het leed, een beetje, het geven van hoop, een beetje, dat vergeet ik nooit meer en daar doen wij het voor. Dit gebroken gezin heeft geen fijne feestdagen gehad, maar ik hoop volgend jaar toch weer een beetje beter, mede dankzij de erkenning die wij als Schadefonds namens ons allen - als samenleving - hebben kunnen geven.
In mijn volgende blog ga ik weer in op de grote ontwikkelingen bij het Schadefonds. Na dit verhaal is dat niet passend, hier past even stilte.
www.schadefonds.nl
Het Schadefonds Geweldsmisdrijven geeft aan slachtoffers met ernstig psychisch of fysiek letsel een financiële tegemoetkoming, en erkent daarmee het onrecht dat hen is aangedaan. Zo draagt het Schadefonds bij aan herstel van vertrouwen.
Posts tonen met het label slachtoffers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label slachtoffers. Alle posts tonen
donderdag 21 januari 2016
dinsdag 8 december 2015
Een jaar lang zonder bonnetjes
Door: Siewert Lindenbergh, lid Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven
In november 2014 maakte het Schadefonds een grote wending: van wel 26 individuele schadeposten naar zes vaste categorieën met ronde bedragen als tegemoetkoming. Een jaar later is het tijd voor een grondige evaluatie: wat zijn de reacties van slachtoffers, van ketenpartners? Is bereikt wat we voor ogen hadden? Wat zijn de verbeterpunten?
Op 6 november werd de aftrap gegeven in een evaluatiemiddag met medewerkers en Commissieleden van het Schadefonds, met onderzoekers van de Universiteit Leiden die het evaluatieonderzoek gaan uitvoeren en met enkele gasten, van Slachtofferhulp Nederland en van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Aan de hand van een aantal vragen is geïnventariseerd wat de eerste indrukken zijn.
Wat was ook alweer de aanleiding voor het nieuwe beleid? Uit onderzoek was gebleken dat ontvangers over het algemeen tevreden waren met de door hen ontvangen tegemoetkoming, maar dat zij behoefte hadden aan meer voorspelbaarheid, dat zij doorgaans geen idee hadden van de componenten (vermogensschade/immateriële schade) waaruit hun tegemoetkoming bestond, en dat zij veelal ook geen idee hadden dat het ging om een tegemoetkoming in plaats van een schadevergoeding. Verder was er enige wrevel over de wijze van afwikkeling door de grote hoeveelheid informatie die van aanvragers werd verlangd. Dat laatste leidde bovendien tot schijnprecisie: het uitvragen op 26 schadeposten en toekennen van bedragen achter de komma oogde weliswaar precies, maar in werkelijkheid ging het – vanwege het tegemoetkomingskarakter en de wettelijke maxima – om afgetopte bedragen die doorgaans de werkelijk geleden schade niet dekten. En dat kostte veel tijd en aandacht, zowel van de aanvragers als van de Schadefondsmedewerkers. Dat alles leidde tot de gedachte om minder tijd te steken in het uitmeten van de schade en meer te investeren in individueel contact. Daarbij speelde een rol dat inmiddels ervaring was opgedaan met ongedifferentieerde tegemoetkomingsbedragen in de regelingen inzake seksueel misbruik in de jeugdzorg waaraan het Schadefonds uitvoering geeft.
En wat waren de bedoelingen van het nieuwe beleid? Kwade tongen hebben beweerd dat het zou gaan om een bezuinigingsoperatie. Dat is niet juist: altijd heeft voorop gestaan om ten minste hetzelfde bedrag aan tegemoetkomingen uit te keren als onder het oude beleid. De belangrijkste doelen waren het vergroten van voorspelbaarheid voor aanvragers, het benadrukken van het tegemoetkomende karakter van de uitkering, verkorting van de beslistermijnen, vermindering van gedeeltelijke afwijzingen, begrijpelijkere beslissingen en een forse afname van de aanvullende aanvragen en van bezwaar- en beroepszaken. De gedachte was ook dat deze ontwikkelingen medewerkers meer tijd zouden geven voor individueel contact met de aanvragers en voor andere activiteiten zoals voorlichting. Verder bestond de wens om het oog van de aanvrager meer te richten op de toekomst (hoe helpt een tegemoetkoming mij vooruit?) en minder terug te blikken op het verleden (wat is mij overkomen en hoe ziet mijn schade er precies uit?)
In een rapportcijfer uitgedrukt kreeg het nieuwe beleid tijdens de eerste evaluatiemiddag een ruime voldoende (7,5 a 8). Als succesvol werden benoemd de toegenomen snelheid van afwikkeling, meer oog en tijd voor persoonlijk contact met de aanvrager, prettiger werken zonder onderzoek naar bonnetjes, minder complexe formulieren en minder aanvullende aanvragen. Maar er werden ook verbeterpunten genoemd: de schade volgt niet altijd het letsel omdat relatief bescheiden letsels soms forse schade – bijvoorbeeld verlies aan arbeidsvermogen – kunnen veroorzaken, er komt nu veel druk te staan op indeling in de juiste letselcategorie en die indeling kan soms evenwichtiger, de kosten van rechtsbijstand bij aanvragen worden niet meer vergoed. Verder werden reserves gemaakt voor de verrekening met later ontvangen betalingen (bijvoorbeeld van de dader), omdat die pas later volgt en nog onduidelijk is hoe het beleid hier uitpakt.
Dit zijn natuurlijk voorlopige indrukken, want het echte evaluatieonderzoek door de Universiteit Leiden moet nog starten. Bovendien gaat het er bij het nieuwe beleid natuurlijk niet om of het Schadefonds of de ketenpartners er blij mee zijn, maar vooral of het door de aanvragers en ontvangers als een verbetering wordt ervaren. Naar die ervaringen zien wij met belangstelling uit. Wordt vervolgd dus.
www.schadefonds.nl
In november 2014 maakte het Schadefonds een grote wending: van wel 26 individuele schadeposten naar zes vaste categorieën met ronde bedragen als tegemoetkoming. Een jaar later is het tijd voor een grondige evaluatie: wat zijn de reacties van slachtoffers, van ketenpartners? Is bereikt wat we voor ogen hadden? Wat zijn de verbeterpunten?
Op 6 november werd de aftrap gegeven in een evaluatiemiddag met medewerkers en Commissieleden van het Schadefonds, met onderzoekers van de Universiteit Leiden die het evaluatieonderzoek gaan uitvoeren en met enkele gasten, van Slachtofferhulp Nederland en van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Aan de hand van een aantal vragen is geïnventariseerd wat de eerste indrukken zijn.
Wat was ook alweer de aanleiding voor het nieuwe beleid? Uit onderzoek was gebleken dat ontvangers over het algemeen tevreden waren met de door hen ontvangen tegemoetkoming, maar dat zij behoefte hadden aan meer voorspelbaarheid, dat zij doorgaans geen idee hadden van de componenten (vermogensschade/immateriële schade) waaruit hun tegemoetkoming bestond, en dat zij veelal ook geen idee hadden dat het ging om een tegemoetkoming in plaats van een schadevergoeding. Verder was er enige wrevel over de wijze van afwikkeling door de grote hoeveelheid informatie die van aanvragers werd verlangd. Dat laatste leidde bovendien tot schijnprecisie: het uitvragen op 26 schadeposten en toekennen van bedragen achter de komma oogde weliswaar precies, maar in werkelijkheid ging het – vanwege het tegemoetkomingskarakter en de wettelijke maxima – om afgetopte bedragen die doorgaans de werkelijk geleden schade niet dekten. En dat kostte veel tijd en aandacht, zowel van de aanvragers als van de Schadefondsmedewerkers. Dat alles leidde tot de gedachte om minder tijd te steken in het uitmeten van de schade en meer te investeren in individueel contact. Daarbij speelde een rol dat inmiddels ervaring was opgedaan met ongedifferentieerde tegemoetkomingsbedragen in de regelingen inzake seksueel misbruik in de jeugdzorg waaraan het Schadefonds uitvoering geeft.
En wat waren de bedoelingen van het nieuwe beleid? Kwade tongen hebben beweerd dat het zou gaan om een bezuinigingsoperatie. Dat is niet juist: altijd heeft voorop gestaan om ten minste hetzelfde bedrag aan tegemoetkomingen uit te keren als onder het oude beleid. De belangrijkste doelen waren het vergroten van voorspelbaarheid voor aanvragers, het benadrukken van het tegemoetkomende karakter van de uitkering, verkorting van de beslistermijnen, vermindering van gedeeltelijke afwijzingen, begrijpelijkere beslissingen en een forse afname van de aanvullende aanvragen en van bezwaar- en beroepszaken. De gedachte was ook dat deze ontwikkelingen medewerkers meer tijd zouden geven voor individueel contact met de aanvragers en voor andere activiteiten zoals voorlichting. Verder bestond de wens om het oog van de aanvrager meer te richten op de toekomst (hoe helpt een tegemoetkoming mij vooruit?) en minder terug te blikken op het verleden (wat is mij overkomen en hoe ziet mijn schade er precies uit?)
In een rapportcijfer uitgedrukt kreeg het nieuwe beleid tijdens de eerste evaluatiemiddag een ruime voldoende (7,5 a 8). Als succesvol werden benoemd de toegenomen snelheid van afwikkeling, meer oog en tijd voor persoonlijk contact met de aanvrager, prettiger werken zonder onderzoek naar bonnetjes, minder complexe formulieren en minder aanvullende aanvragen. Maar er werden ook verbeterpunten genoemd: de schade volgt niet altijd het letsel omdat relatief bescheiden letsels soms forse schade – bijvoorbeeld verlies aan arbeidsvermogen – kunnen veroorzaken, er komt nu veel druk te staan op indeling in de juiste letselcategorie en die indeling kan soms evenwichtiger, de kosten van rechtsbijstand bij aanvragen worden niet meer vergoed. Verder werden reserves gemaakt voor de verrekening met later ontvangen betalingen (bijvoorbeeld van de dader), omdat die pas later volgt en nog onduidelijk is hoe het beleid hier uitpakt.
Dit zijn natuurlijk voorlopige indrukken, want het echte evaluatieonderzoek door de Universiteit Leiden moet nog starten. Bovendien gaat het er bij het nieuwe beleid natuurlijk niet om of het Schadefonds of de ketenpartners er blij mee zijn, maar vooral of het door de aanvragers en ontvangers als een verbetering wordt ervaren. Naar die ervaringen zien wij met belangstelling uit. Wordt vervolgd dus.
www.schadefonds.nl
maandag 9 november 2015
Van samen werken naar samenwerken
Door: Monique de Groot, directeur Schadefonds Geweldsmisdrijven
De eerste verdieping van ons kantoor in Rijswijk, waar mijn kamer zich bevindt, is doorgaans een oase van rust. De medewerkers op die verdieping werken hard en ook stil of zijn deels elders aan het werk. Maar vandaag was het reuring! Op bezoek waren de zogenoemde Schadefondsspecialisten. Hoe mooi wil je het als organisatie hebben dat bij een ketenpartner mensen zijn aangewezen die als specialist over jouw werk zijn benoemd? Schadefondsspecialisten zijn medewerkers van Slachtofferhulp Nederland die meer dan de reguliere medewerkers weten hoe de aanvraagprocedure bij ons werkt. Iedere medewerker van Slachtofferhulp Nederland kan een slachtoffer helpen bij het invullen van het aanvraagformulier van het Schadefonds. Maar als zij vragen hebben of een collegiale controle willen op het aanvraagformulier, dan kunnen zij terecht bij deze specialisten. Op verschillende data en verschillende plekken in het land treffen zij dit najaar medewerkers van het Schadefonds die hen nog deskundiger maken en hen meenemen in de laatste ontwikkelingen. Hiermee willen we ervoor zorgen dat de aanvragen van slachtoffers in hoge mate een kans van slagen hebben en leiden tot een tegemoetkoming.
Het is één van de manieren waarop Slachtofferhulp Nederland en het Schadefonds Geweldsmisdrijven de dienstverlening aan slachtoffers en nabestaanden proberen te verbeteren. Vanwege de onafhankelijke besluitvorming op aanvragen is het niet aan het Schadefonds om het slachtoffer te helpen bij het invullen van het aanvraagformulier. Het is mooi dat een organisatie als Slachtofferhulp Nederland dat kan oppakken. Een slachtoffer dat is achtergebleven met schade kan op verschillende manieren proberen dit vergoed te krijgen. Bijvoorbeeld bij een verzekeraar, in een civiele procedure, via een vordering benadeelde partij in een strafproces of via het Schadefonds. Slachtofferhulp Nederland helpt mensen de meest geschikte weg te vinden, waaronder die naar het Schadefonds Geweldsmisdrijven.
Op verschillende niveaus van onze organisaties is er intensief contact om het slachtoffer zo goed mogelijk te helpen. Om bij de top te beginnen: onlangs waren de voorzitter van onze Commissie Ludo Goossens en ik te gast bij de Raad van Toezicht van Slachtofferhulp Nederland. We hebben gesproken over de huidige wijze van samenwerking en onze plannen hoe we dit kunnen uitbouwen in de toekomst. Enkele weken daarvoor was Harry Crielaars (Raad van Bestuur Slachtofferhulp Nederland) aanwezig bij de maandelijkse vergadering van onze Commissie en heeft daar de inhoudelijke discussie meegemaakt over een aantal beleidsontwikkelingen die bij ons spelen. Harry en ik treffen elkaar periodiek in de Kerngroep slachtofferbeleid onder leiding van het ministerie van Veiligheid en Justitie, waaraan ook andere ketenpartners deelnemen. Deze week sprak ik met de directeur Juridische Dienstverlening van Slachtofferhulp Nederland de verschillende dossiers door die ons momenteel bezighouden. Begin volgend jaar is een vergadering met beide managementteams gepland. We houden elkaar dus goed op de hoogte van wederzijdse acties en ontwikkelingen.
Onze medewerkers treffen elkaar ook regelmatig. De beleidsmedewerkers weten elkaar goed te vinden op een veelheid van dossiers en trekken daarin samen op. Enkele juristen binnen mijn organisatie geven voorlichting over de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een financiële tegemoetkoming en onze werkwijze en zij zijn contactpersoon voor een bepaalde regio van Slachtofferhulp Nederland. Zo kan een persoonlijke band tussen de medewerkers ontstaan. Dat bevordert de goede communicatie en samenwerking. En daarmee is het slachtoffer gebaat.
Onze taken maken dat we verschillende organisaties zijn, het is niet aangewezen die in één organisatie te vatten. Ons gezamenlijk doel is dat het slachtoffer zo snel en goed mogelijk wordt ondersteund en er zo min mogelijk ongemak van heeft dat wij twee afzonderlijke organisaties zijn. We zijn in dat kader op een goede weg en we zien nog veel mogelijkheden om de samenwerking verder vorm te geven.
www.schadefonds.nl
De eerste verdieping van ons kantoor in Rijswijk, waar mijn kamer zich bevindt, is doorgaans een oase van rust. De medewerkers op die verdieping werken hard en ook stil of zijn deels elders aan het werk. Maar vandaag was het reuring! Op bezoek waren de zogenoemde Schadefondsspecialisten. Hoe mooi wil je het als organisatie hebben dat bij een ketenpartner mensen zijn aangewezen die als specialist over jouw werk zijn benoemd? Schadefondsspecialisten zijn medewerkers van Slachtofferhulp Nederland die meer dan de reguliere medewerkers weten hoe de aanvraagprocedure bij ons werkt. Iedere medewerker van Slachtofferhulp Nederland kan een slachtoffer helpen bij het invullen van het aanvraagformulier van het Schadefonds. Maar als zij vragen hebben of een collegiale controle willen op het aanvraagformulier, dan kunnen zij terecht bij deze specialisten. Op verschillende data en verschillende plekken in het land treffen zij dit najaar medewerkers van het Schadefonds die hen nog deskundiger maken en hen meenemen in de laatste ontwikkelingen. Hiermee willen we ervoor zorgen dat de aanvragen van slachtoffers in hoge mate een kans van slagen hebben en leiden tot een tegemoetkoming.
Het is één van de manieren waarop Slachtofferhulp Nederland en het Schadefonds Geweldsmisdrijven de dienstverlening aan slachtoffers en nabestaanden proberen te verbeteren. Vanwege de onafhankelijke besluitvorming op aanvragen is het niet aan het Schadefonds om het slachtoffer te helpen bij het invullen van het aanvraagformulier. Het is mooi dat een organisatie als Slachtofferhulp Nederland dat kan oppakken. Een slachtoffer dat is achtergebleven met schade kan op verschillende manieren proberen dit vergoed te krijgen. Bijvoorbeeld bij een verzekeraar, in een civiele procedure, via een vordering benadeelde partij in een strafproces of via het Schadefonds. Slachtofferhulp Nederland helpt mensen de meest geschikte weg te vinden, waaronder die naar het Schadefonds Geweldsmisdrijven.
Op verschillende niveaus van onze organisaties is er intensief contact om het slachtoffer zo goed mogelijk te helpen. Om bij de top te beginnen: onlangs waren de voorzitter van onze Commissie Ludo Goossens en ik te gast bij de Raad van Toezicht van Slachtofferhulp Nederland. We hebben gesproken over de huidige wijze van samenwerking en onze plannen hoe we dit kunnen uitbouwen in de toekomst. Enkele weken daarvoor was Harry Crielaars (Raad van Bestuur Slachtofferhulp Nederland) aanwezig bij de maandelijkse vergadering van onze Commissie en heeft daar de inhoudelijke discussie meegemaakt over een aantal beleidsontwikkelingen die bij ons spelen. Harry en ik treffen elkaar periodiek in de Kerngroep slachtofferbeleid onder leiding van het ministerie van Veiligheid en Justitie, waaraan ook andere ketenpartners deelnemen. Deze week sprak ik met de directeur Juridische Dienstverlening van Slachtofferhulp Nederland de verschillende dossiers door die ons momenteel bezighouden. Begin volgend jaar is een vergadering met beide managementteams gepland. We houden elkaar dus goed op de hoogte van wederzijdse acties en ontwikkelingen.
Onze medewerkers treffen elkaar ook regelmatig. De beleidsmedewerkers weten elkaar goed te vinden op een veelheid van dossiers en trekken daarin samen op. Enkele juristen binnen mijn organisatie geven voorlichting over de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een financiële tegemoetkoming en onze werkwijze en zij zijn contactpersoon voor een bepaalde regio van Slachtofferhulp Nederland. Zo kan een persoonlijke band tussen de medewerkers ontstaan. Dat bevordert de goede communicatie en samenwerking. En daarmee is het slachtoffer gebaat.
Onze taken maken dat we verschillende organisaties zijn, het is niet aangewezen die in één organisatie te vatten. Ons gezamenlijk doel is dat het slachtoffer zo snel en goed mogelijk wordt ondersteund en er zo min mogelijk ongemak van heeft dat wij twee afzonderlijke organisaties zijn. We zijn in dat kader op een goede weg en we zien nog veel mogelijkheden om de samenwerking verder vorm te geven.
www.schadefonds.nl
dinsdag 22 september 2015
Harnas
Door: Carol van Nijnatten, lid Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven
Tijdens hoorzittingen bij het Schadefonds heb ik mensen ontmoet die als kind seksueel werden misbruikt. De slachtoffers vertellen wat hen (meestal lang geleden) is overkomen in een kindertehuis of bij een pleeggezin. De slachtoffers verschillen onderling, maar de meesten blijken in staat uitgebreid te vertellen over wat hen is overkomen. Ze weten nog de namen van de groepsleiders en die van groepsgenoten en beschrijven vaak tot in detail de paviljoens waar ze woonden. Wat mij steeds weer opvalt is dat ze met droge ogen verslag doen van de meest verschrikkelijke zaken. Enkelen raken geagiteerd tijdens hun verhaal maar de meesten hebben opgeschreven of vertellen stap voor stap wat er gebeurde, maar zelden wordt een slachtoffer overmand door de inhoud van zijn verhaal.
De psychoanalyticus Louis Tas sprak over ‘vermijding van rouw’. Hij beschrijft hoe Joodse slachtoffers met understatements en andere middelen proberen de scherpe kanten van hun oorlogsgeschiedenis te verzachten. En hoe zij de verontwaardiging van de volgende generatie tegemoet moeten zien omdat ze overleefd hebben of het verwijt kunnen krijgen dat zij zich als volk hebben laten vernietigen.
De slachtoffers van seksueel misbruik lijken zich ook te harnassen tegen hun eigen gevoelens en de reacties van omstanders. Ik zag het treffend verbeeld in de klassieke Amerikaanse film ‘Good Will Hunting’ over een jonge conciërge met een wiskundeknobbel op een technische school. Hij verprutst zijn talenten en de relatie met zijn leuke vriendin. Wat is er mis met die jongen? Will is als kind herhaaldelijk door zijn stiefvader in elkaar geslagen. Nu kan hij op zijn beurt zijn handen niet thuis houden en belandt in de cel. Hij mag er op voorspraak van de wiskundeleraar uit als hij zich onder behandeling stelt van therapeut Sean Maguire. In een aangrijpende scène aan het einde van de film bekent de therapeut dat hij als kind ook is mishandeld. Sean loopt langzaam op Will af en zegt dat de shit uit zijn dossier niet zijn fout is. Dat herhaalt hij tien keer ‘It’s not your fault’. Will voelt zich ongemakkelijk bij die confrontatie en probeert zich nog een beetje uit de situatie te redden: ‘I know, I know’’. Dan wordt hij boos, begint te schreeuwen en duwt Sean weg totdat hij breekt en in huilen uitbarst.
Uiteraard is dat een aangedikte Hollywood dialoog die in het echt leven niet voorkomt. Toch laat het zien hoe diep de ellende van geweld tegen kinderen kan zijn weggestopt, hoe stevig de deksel op de beerput kan zitten en hoe geharnast de slachtoffers van geweld door het leven kunnen gaan. Hoewel ik geen Sean Maguire ben en het Schadefonds Hollywood niet is, ik gun die slachtoffers allen hun Will Hunting-moment.
www.schadefonds.nl
Tijdens hoorzittingen bij het Schadefonds heb ik mensen ontmoet die als kind seksueel werden misbruikt. De slachtoffers vertellen wat hen (meestal lang geleden) is overkomen in een kindertehuis of bij een pleeggezin. De slachtoffers verschillen onderling, maar de meesten blijken in staat uitgebreid te vertellen over wat hen is overkomen. Ze weten nog de namen van de groepsleiders en die van groepsgenoten en beschrijven vaak tot in detail de paviljoens waar ze woonden. Wat mij steeds weer opvalt is dat ze met droge ogen verslag doen van de meest verschrikkelijke zaken. Enkelen raken geagiteerd tijdens hun verhaal maar de meesten hebben opgeschreven of vertellen stap voor stap wat er gebeurde, maar zelden wordt een slachtoffer overmand door de inhoud van zijn verhaal.
De psychoanalyticus Louis Tas sprak over ‘vermijding van rouw’. Hij beschrijft hoe Joodse slachtoffers met understatements en andere middelen proberen de scherpe kanten van hun oorlogsgeschiedenis te verzachten. En hoe zij de verontwaardiging van de volgende generatie tegemoet moeten zien omdat ze overleefd hebben of het verwijt kunnen krijgen dat zij zich als volk hebben laten vernietigen.
De slachtoffers van seksueel misbruik lijken zich ook te harnassen tegen hun eigen gevoelens en de reacties van omstanders. Ik zag het treffend verbeeld in de klassieke Amerikaanse film ‘Good Will Hunting’ over een jonge conciërge met een wiskundeknobbel op een technische school. Hij verprutst zijn talenten en de relatie met zijn leuke vriendin. Wat is er mis met die jongen? Will is als kind herhaaldelijk door zijn stiefvader in elkaar geslagen. Nu kan hij op zijn beurt zijn handen niet thuis houden en belandt in de cel. Hij mag er op voorspraak van de wiskundeleraar uit als hij zich onder behandeling stelt van therapeut Sean Maguire. In een aangrijpende scène aan het einde van de film bekent de therapeut dat hij als kind ook is mishandeld. Sean loopt langzaam op Will af en zegt dat de shit uit zijn dossier niet zijn fout is. Dat herhaalt hij tien keer ‘It’s not your fault’. Will voelt zich ongemakkelijk bij die confrontatie en probeert zich nog een beetje uit de situatie te redden: ‘I know, I know’’. Dan wordt hij boos, begint te schreeuwen en duwt Sean weg totdat hij breekt en in huilen uitbarst.
Uiteraard is dat een aangedikte Hollywood dialoog die in het echt leven niet voorkomt. Toch laat het zien hoe diep de ellende van geweld tegen kinderen kan zijn weggestopt, hoe stevig de deksel op de beerput kan zitten en hoe geharnast de slachtoffers van geweld door het leven kunnen gaan. Hoewel ik geen Sean Maguire ben en het Schadefonds Hollywood niet is, ik gun die slachtoffers allen hun Will Hunting-moment.
www.schadefonds.nl
donderdag 16 juli 2015
Meer slachtoffers en langer de tijd
Nu de werking van de financiële regelingen voor seksueel misbruik in de jeugdzorg in het najaar 2015 een einde neemt, sloeg ik opnieuw het rapport van de commissie Samson uit oktober 2012 op. “Omringd door Zorg, toch niet veilig” blijft het lezen meer dan waard.
Ik wil deze blog gebruiken om een aantal observaties met u te delen.
Het rapport Samson begint met vier korte voorbeelden van seksueel misbruik en dat helpt het probleem te definiëren. Neem het verhaal van het 11 jaar oude meisje Esmeralda, mishandeld en seksueel misbruikt door haar vader, daarna via een meldpunt kindermishandeling uit huis geplaatst en in een jeugdzorginstelling terechtgekomen. Daar is zij uiteindelijk ook weer misbruikt maar dan door een groepsleider.
Allereerst komt het lezen van deze voorbeelden in de verste verte niet in de buurt van het spreken met een slachtoffer van dergelijk misbruik zelf. Ik voer dergelijke gesprekken nu inmiddels meer dan anderhalf jaar en keer op keer ben ik weer geraakt door de verwoesting die in mensenlevens is aangericht. En dat terwijl ik toch in mijn functie als strafrechter gewend ben heel ernstige zaken te berechten en met verdachten van zeer ernstige delicten te spreken.
Ten tweede merk ik dat gesprekken met slachtoffers van seksueel misbruik in de jeugdzorg, in het kader van de regelingen die daarvoor dit jaar nog gelden, in zekere zin gemakkelijker zijn omdat de te nemen beslissing minder gecompliceerd is. Die is juridisch eenvoudiger. Anderzijds zijn de gesprekken, in de zin van ervaringen en emotionele belasting, veel moeilijker en aangrijpender, juist omdat ze je zo onontkoombaar raken als je de beschadiging van mensen ziet en voelt. Ook heb ik in die gesprekken aan den lijve ondervonden hoezeer mensen hebben moeten worstelen voordat ze in staat waren het verhaal van hun misbruik, en hun vaak ingrijpend negatief beïnvloede leven, konden vertellen.
Het is vanuit die ervaring dat ik hier de overheid in overweging geef om gevolg te geven aan het verzoek van de lotgenotenorganisaties om de werking van de huidige regelingen te verlengen. Om zo de slachtoffers een kans te geven hun verhaal in alle rust te vertellen tegen een onafhankelijke vertegenwoordiger van de overheid als zij, tot op dit moment, om wat voor reden dan ook, daartoe nog niet in staat waren. Hetzij in het kader van de Tijdelijke regeling, hetzij het Statuut, beiden uitgevoerd door het Schadefonds Geweldsmisdrijven.
In de derde plaats observeer ik dat we de afgelopen periode bij het Schadefonds een aantal aanvragen hebben moeten afwijzen om formele redenen. Ze vielen om juridische redenen niet onder de werking van de regelingen, bijvoorbeeld omdat het niet om jeugdzorginstellingen ging. Deze zaken van seksueel misbruik speelden zich wel binnen een residentiële setting van bijvoorbeeld jeugdpsychiatrie of zorg voor (jeugdige) mensen met een lichamelijke beperking, maar zij vielen toch dan buiten de grens van de Tijdelijke regeling en de Statuut regeling seksueel misbruik in de jeugdzorg.
Tenslotte.
De derde observatie doe ik ook weer tegen de achtergrond van de overtuiging dat seksueel misbruik moet hebben plaatsgevonden - en helaas misschien nog plaatsvindt - in elke residentiële setting waar macht wordt uitgeoefend over pupillen.
Het is met name dat onderdeel van de observatie dat maakt dat ik het juridisch onderscheid wrang en slecht verdedigbaar vind. Ik vind dat voor elk seksueel misbruik binnen een residentiële setting, waar machtsverhoudingen een rol spelen, een gemakkelijk toegankelijke regeling zou moeten gelden voor schadeloosstelling van slachtoffers.
Liefst te betalen door de verantwoordelijke organisatie, maar als het niet anders kan, dan als vangnet, in een collectieve regeling.
En laat duidelijk zijn: waar zich dat nu voordoet, kunnen slachtoffers nu natuurlijk al terecht bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Zij zullen bij ons een luisterend oor vinden en een welwillende behandeling.
Zo’n regeling is voor de erkenning van de betrokken slachtoffers van groot belang voor het herstel van hun vertrouwen, in de omgeving en de rechtsstaat. Maar ik denk dat zo’n regeling minstens zo belangrijk voor de gezondheid van de betrokken organisaties zelf.
Ludo Goossens
Voorzitter Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven
www.schadefonds.nl
Ik wil deze blog gebruiken om een aantal observaties met u te delen.
Het rapport Samson begint met vier korte voorbeelden van seksueel misbruik en dat helpt het probleem te definiëren. Neem het verhaal van het 11 jaar oude meisje Esmeralda, mishandeld en seksueel misbruikt door haar vader, daarna via een meldpunt kindermishandeling uit huis geplaatst en in een jeugdzorginstelling terechtgekomen. Daar is zij uiteindelijk ook weer misbruikt maar dan door een groepsleider.
Allereerst komt het lezen van deze voorbeelden in de verste verte niet in de buurt van het spreken met een slachtoffer van dergelijk misbruik zelf. Ik voer dergelijke gesprekken nu inmiddels meer dan anderhalf jaar en keer op keer ben ik weer geraakt door de verwoesting die in mensenlevens is aangericht. En dat terwijl ik toch in mijn functie als strafrechter gewend ben heel ernstige zaken te berechten en met verdachten van zeer ernstige delicten te spreken.
Ten tweede merk ik dat gesprekken met slachtoffers van seksueel misbruik in de jeugdzorg, in het kader van de regelingen die daarvoor dit jaar nog gelden, in zekere zin gemakkelijker zijn omdat de te nemen beslissing minder gecompliceerd is. Die is juridisch eenvoudiger. Anderzijds zijn de gesprekken, in de zin van ervaringen en emotionele belasting, veel moeilijker en aangrijpender, juist omdat ze je zo onontkoombaar raken als je de beschadiging van mensen ziet en voelt. Ook heb ik in die gesprekken aan den lijve ondervonden hoezeer mensen hebben moeten worstelen voordat ze in staat waren het verhaal van hun misbruik, en hun vaak ingrijpend negatief beïnvloede leven, konden vertellen.
Het is vanuit die ervaring dat ik hier de overheid in overweging geef om gevolg te geven aan het verzoek van de lotgenotenorganisaties om de werking van de huidige regelingen te verlengen. Om zo de slachtoffers een kans te geven hun verhaal in alle rust te vertellen tegen een onafhankelijke vertegenwoordiger van de overheid als zij, tot op dit moment, om wat voor reden dan ook, daartoe nog niet in staat waren. Hetzij in het kader van de Tijdelijke regeling, hetzij het Statuut, beiden uitgevoerd door het Schadefonds Geweldsmisdrijven.
In de derde plaats observeer ik dat we de afgelopen periode bij het Schadefonds een aantal aanvragen hebben moeten afwijzen om formele redenen. Ze vielen om juridische redenen niet onder de werking van de regelingen, bijvoorbeeld omdat het niet om jeugdzorginstellingen ging. Deze zaken van seksueel misbruik speelden zich wel binnen een residentiële setting van bijvoorbeeld jeugdpsychiatrie of zorg voor (jeugdige) mensen met een lichamelijke beperking, maar zij vielen toch dan buiten de grens van de Tijdelijke regeling en de Statuut regeling seksueel misbruik in de jeugdzorg.
Tenslotte.
De derde observatie doe ik ook weer tegen de achtergrond van de overtuiging dat seksueel misbruik moet hebben plaatsgevonden - en helaas misschien nog plaatsvindt - in elke residentiële setting waar macht wordt uitgeoefend over pupillen.
Het is met name dat onderdeel van de observatie dat maakt dat ik het juridisch onderscheid wrang en slecht verdedigbaar vind. Ik vind dat voor elk seksueel misbruik binnen een residentiële setting, waar machtsverhoudingen een rol spelen, een gemakkelijk toegankelijke regeling zou moeten gelden voor schadeloosstelling van slachtoffers.
Liefst te betalen door de verantwoordelijke organisatie, maar als het niet anders kan, dan als vangnet, in een collectieve regeling.
En laat duidelijk zijn: waar zich dat nu voordoet, kunnen slachtoffers nu natuurlijk al terecht bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Zij zullen bij ons een luisterend oor vinden en een welwillende behandeling.
Zo’n regeling is voor de erkenning van de betrokken slachtoffers van groot belang voor het herstel van hun vertrouwen, in de omgeving en de rechtsstaat. Maar ik denk dat zo’n regeling minstens zo belangrijk voor de gezondheid van de betrokken organisaties zelf.
Ludo Goossens
Voorzitter Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven
www.schadefonds.nl
dinsdag 12 mei 2015
Slachtoffer
Door: Carol van Nijnatten, lid commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven
Het Schadefonds Geweldsmisdrijven geeft een financiële tegemoetkoming aan mensen die slachtoffer zijn geworden van een geweldsmisdrijf met ernstig psychisch of fysiek letsel tot gevolg. Waarom spreken wij in de 21ste eeuw nog van slachtoffers? Dat woord stamt immers uit oude culturen waarin dieren en ook mensen ceremonieel werden gedood als een geschenk aan de Goden. Het was een offer om de Goden gunstig te stemmen. Ook al liggen het geloof in meerdere Goden en brandstapels achter ons, de rol van het slachtoffer zit nog diep verankerd in onze cultuur. Christus heeft immers de rol van slachtoffer op zich genomen door zijn leven te geven “om de zonden van de mensen weg te nemen’. Hij was daarmee de zondebok pur sang die de schuld van velen op zich nam. Het christelijk geloof is gebaseerd op het geloof in het offer dat Jezus bracht.
In de huidige ontkerkelijkte wereld zullen velen dit verhaal niet meer letterlijk nemen, maar nog wel de dynamiek van het slachtofferschap herkennen en erkennen, dat wil zeggen zien dat er nog steeds medeburgers zijn die de dupe worden van het zondige gedrag van andere medeburgers. Uiteraard wordt niet langer het mooiste slachtvee of het mooiste kind op de brandstapel aan de Goden geofferd, maar met slachtoffers duiden wij nog wel degelijk mensen aan die buiten hun schuld de dupe worden van het geweld van anderen. Dat kan zomaar gebeuren in een open samenleving als de onze, een samenleving waarin mensen een grote vrijheid van handelen hebben, maar niet altijd de zware verantwoordelijkheid kunnen dragen die bij die vrijheid hoort. De openheid en vrijheid van onze samenleving, die algemeen worden gekoesterd, kunnen betekenen dat mensen ongewild de dupe worden van een uit de hand gelopen feestje in Haren of een aanslag in een supermarkt. In zekere zin betalen deze gedupeerden de onvolkomenheid van onze samenleving. We kunnen hen slachtoffers noemen in de eigenlijke zin van het woord omdat we willens en wetens de voorkeur geven aan vrijheid met deze risico’s tot gevolg. We prefereren om geen automatische geweren op elke straathoek te hebben.
Sinds ruim 25 jaar brengt onze samenleving ook een offer dat dit soort onrecht compenseert en daarmee de zonden in onze samenleving een klein beetje ‘wegneemt’. De financiële tegemoetkoming van het Schadefonds is in feite ook weer een offer, een (terug)gave aan mensen die het nadeel hebben ondervonden van het roekeloos optreden van anderen zonder dat zij daaraan iets konden doen. Dat offer heeft ook de bedoeling Nederlandse burgers gunstig te stemmen. Immers wij houden van onze vrijheid maar willen ook dat er voor ons wordt opgekomen als we het slachtoffer van onrecht zijn geworden.
Een samenleving is krachtiger naarmate haar zelfreinigend vermogen groter is. Het Schadefonds Geweldsmisdrijven gelooft in het reinigend vermogen van de financiële tegemoetkoming, het tegenoffer.
www.schadefonds.nl
donderdag 9 april 2015
All-inclusive
Door: Janny Dierx, adviseur en mediator, lid commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven
In de vakantiewereld is ‘all-in’ niet zonder meer een aanbeveling. Ik krijg in ieder geval associaties met strandhotels waar gezette vakantiegangers hun bordjes te vol laden en waar al bij het ontbijt de eerste cocktails achterover gaan. Persoonlijk prefereer ik een vakantie met self-catering: ik bepaal liever zelf wanneer en waar ik eet en drink. En dan liever lekker dan veel.
All-in noemen wij bij het Schadefonds de bedragen die we uitkeren als tegemoetkoming aan slachtoffers van ernstige geweldsmisdrijven. Zelf beschouwen we deze nieuwe praktijk als een verbetering. Tot voor kort werkten we met tientallen verschillende soorten schadevergoeding en moesten slachtoffers hun claims onderbouwen met bonnetjes met cijfers tot achter de komma. Ook juristen van het Schadefonds waren er druk mee. Dat hoeft nu niet meer. Slachtoffers ontvangen afhankelijk van de ernst van hun letsel een rond bedrag. Er zijn zes categorieën tussen de € 1.000 en € 35.000.
We zijn benieuwd naar de effecten van deze nieuwe manier van uitkeren. Zouden er ook nadelen zitten aan het all-in concept? Het woord alleen al wekt misschien de indruk dat de schade vanaf nu helemaal wordt vergoed. Wat dat betreft is verwachtingenmanagement nog steeds nodig: een uitkering uit het Schadefonds is en blijft een tegemoetkoming.
Bij het toekennen van tegemoetkomingen aan de mensen die in het verleden te maken hebben gehad met seksueel misbruik in de jeugdzorg, deed het Schadefonds al ervaring op met het toekennen van ronde bedragen. Een van die zaken staat op mijn netvlies gegrift. Het ging om een zestig jarige man. Vanaf zijn veertiende had hij te maken met seksueel misbruik. Het had hem ongelooflijk veel moeite gekost om de gevolgen daarvan op de rest van zijn levensloop onder ogen te zien en te aanvaarden. Hij kreeg een tegemoetkoming en ontving een mooi rond bedrag.
In eerste instantie was hij er blij mee geweest, vertelde hij bij het toelichten van zijn bezwaarschrift. Daarna had hij gedacht: waarom dit bedrag? Waarom niet hoger? Waarom kijkt het Schadefonds helemaal niet naar de verwoestende gevolgen van het seksueel misbruik op de rest van mijn leven? En wat kan ik hier nu eigenlijk echt mee?
‘Wat zou je het liefst willen?’ vroeg ik hem. Hij aarzelde geen moment: het liefst zou hij naar het conservatorium gaan: “Die kans heb ik verspeeld toen ik jong was. En nu is het te laat. Welk conservatorium zou een zestigjarige aannemen? En met deze tegemoetkoming kan ik dat ook nog niet helemaal betalen.”
We konden we op de hoorzitting goed met elkaar praten over de beperkingen van de regelingen die het Schadefonds uitvoert. Het schoot door mij heen: waarom kunnen we dat eigenlijk niet organiseren? Waarom kunnen we als maatschappij niet organiseren dat slachtoffers van ernstige misdrijven alsnog een droom kunnen verwezenlijken? Dat zij ook maatwerk kunnen krijgen? In feite kunnen we dan pas met recht en reden spreken van all-inclusive beleid: inclusief self-catering.
www.schadefonds.nl
In de vakantiewereld is ‘all-in’ niet zonder meer een aanbeveling. Ik krijg in ieder geval associaties met strandhotels waar gezette vakantiegangers hun bordjes te vol laden en waar al bij het ontbijt de eerste cocktails achterover gaan. Persoonlijk prefereer ik een vakantie met self-catering: ik bepaal liever zelf wanneer en waar ik eet en drink. En dan liever lekker dan veel.
All-in noemen wij bij het Schadefonds de bedragen die we uitkeren als tegemoetkoming aan slachtoffers van ernstige geweldsmisdrijven. Zelf beschouwen we deze nieuwe praktijk als een verbetering. Tot voor kort werkten we met tientallen verschillende soorten schadevergoeding en moesten slachtoffers hun claims onderbouwen met bonnetjes met cijfers tot achter de komma. Ook juristen van het Schadefonds waren er druk mee. Dat hoeft nu niet meer. Slachtoffers ontvangen afhankelijk van de ernst van hun letsel een rond bedrag. Er zijn zes categorieën tussen de € 1.000 en € 35.000.
We zijn benieuwd naar de effecten van deze nieuwe manier van uitkeren. Zouden er ook nadelen zitten aan het all-in concept? Het woord alleen al wekt misschien de indruk dat de schade vanaf nu helemaal wordt vergoed. Wat dat betreft is verwachtingenmanagement nog steeds nodig: een uitkering uit het Schadefonds is en blijft een tegemoetkoming.
Bij het toekennen van tegemoetkomingen aan de mensen die in het verleden te maken hebben gehad met seksueel misbruik in de jeugdzorg, deed het Schadefonds al ervaring op met het toekennen van ronde bedragen. Een van die zaken staat op mijn netvlies gegrift. Het ging om een zestig jarige man. Vanaf zijn veertiende had hij te maken met seksueel misbruik. Het had hem ongelooflijk veel moeite gekost om de gevolgen daarvan op de rest van zijn levensloop onder ogen te zien en te aanvaarden. Hij kreeg een tegemoetkoming en ontving een mooi rond bedrag.
In eerste instantie was hij er blij mee geweest, vertelde hij bij het toelichten van zijn bezwaarschrift. Daarna had hij gedacht: waarom dit bedrag? Waarom niet hoger? Waarom kijkt het Schadefonds helemaal niet naar de verwoestende gevolgen van het seksueel misbruik op de rest van mijn leven? En wat kan ik hier nu eigenlijk echt mee?
‘Wat zou je het liefst willen?’ vroeg ik hem. Hij aarzelde geen moment: het liefst zou hij naar het conservatorium gaan: “Die kans heb ik verspeeld toen ik jong was. En nu is het te laat. Welk conservatorium zou een zestigjarige aannemen? En met deze tegemoetkoming kan ik dat ook nog niet helemaal betalen.”
We konden we op de hoorzitting goed met elkaar praten over de beperkingen van de regelingen die het Schadefonds uitvoert. Het schoot door mij heen: waarom kunnen we dat eigenlijk niet organiseren? Waarom kunnen we als maatschappij niet organiseren dat slachtoffers van ernstige misdrijven alsnog een droom kunnen verwezenlijken? Dat zij ook maatwerk kunnen krijgen? In feite kunnen we dan pas met recht en reden spreken van all-inclusive beleid: inclusief self-catering.
www.schadefonds.nl
donderdag 15 januari 2015
Verhaal halen
Door: Carol van Nijnatten, Lid Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven
Mensen die bij het Schadefonds aankloppen voor een schadeloosstelling voor het geweld dat hen is aangedaan, komen verhaal halen. Er staat immers nog een rekening open die moet worden vereffend.
De personen die een aanvraag doen bij de Raadkamer Statuut – het orgaan dat is ingesteld om aanvragen te toetsen in het kader van seksueel misbruik in jeugdzorginstellingen en pleeggezinnen, waarbij de dader/instelling aansprakelijk wordt gesteld - komen ook een verhaal brengen. Een verhaal over een reeks gebeurtenissen, meestal uit een ver verleden. Gebeurtenissen die iedere verbeelding tarten en nauwelijks onder woorden te brengen zijn! Niet zelden hoorden de levenspartners van de slachtoffers pas over de gebeurtenissen toen er melding werd gedaan bij de commissie Samson. Ze vertellen hun levensgeschiedenis nu ook aan de jurist(e) van het Schadefonds en de leden van de Raadkamer.
Soms weten de slachtoffers feilloos details uit het verleden op te diepen. Andere aanvragers kunnen zich de details niet meer herinneren. Maar ook bij hen staan de verwoestende effecten van het misbruik in hun geheugen gegrift: de angst voor herhaling (de voetstappen op de trap), de schaamte (als anderen het maar niet te weten komen) en weerloosheid (als ik het vertel, word ik weggestuurd). En .. de eenzaamheid, het feit dat je het aan niemand kan vertellen, dat niemand je gelooft, dat het misbruik niet wordt erkend.
Aanvragers bij de Raadkamer Statuut komen in zekere zin ook verhaal maken. Ze hopen op een antwoord op hun vragen over het verleden. Waarom was de beschuldigde zo gewelddadig en waarom was ik juist het slachtoffer, waarom loopt de misbruikende jeugdzorgwerker nog ongestraft rond?
Het Schadefonds werkt soms maanden lang aan antwoorden op die vragen. Aan de hoorzitting van de Raadkamer Statuut gaat een lange periode vooraf waarin de aanvrager samen met een van de juristen een dossier aanlegt. Daarin worden proces verbalen, briefjes van dokters, e-mails, geboorteregister, salarisstroken verzameld. Het vraagt veel van aanvragers die klus te klaren, maar misschien is het toch de moeite waard. Immers het aanleggen van een dossier maakt het mogelijk voor aanvragers om met een neutraal derde persoon nog eens naar dat moeilijke leven te kijken. Het biedt de mogelijkheid de eigen levensgeschiedenis vanuit een nieuw perspectief te bekijken en opnieuw te vertellen.
Daarom is het misschien wel niet zo erg dat het even duurt om dat dossier te maken. Met de vorming van het dossier wordt het verhaal immers opnieuw geschreven. Eenmaal op de hoorzitting is het verhaal al voor het grootste deel verteld. Dan volgt de erkenning door de Commissie van het Schadefonds en is verhaal gehaald.
www.schadefonds.nl
Mensen die bij het Schadefonds aankloppen voor een schadeloosstelling voor het geweld dat hen is aangedaan, komen verhaal halen. Er staat immers nog een rekening open die moet worden vereffend.
De personen die een aanvraag doen bij de Raadkamer Statuut – het orgaan dat is ingesteld om aanvragen te toetsen in het kader van seksueel misbruik in jeugdzorginstellingen en pleeggezinnen, waarbij de dader/instelling aansprakelijk wordt gesteld - komen ook een verhaal brengen. Een verhaal over een reeks gebeurtenissen, meestal uit een ver verleden. Gebeurtenissen die iedere verbeelding tarten en nauwelijks onder woorden te brengen zijn! Niet zelden hoorden de levenspartners van de slachtoffers pas over de gebeurtenissen toen er melding werd gedaan bij de commissie Samson. Ze vertellen hun levensgeschiedenis nu ook aan de jurist(e) van het Schadefonds en de leden van de Raadkamer.
Soms weten de slachtoffers feilloos details uit het verleden op te diepen. Andere aanvragers kunnen zich de details niet meer herinneren. Maar ook bij hen staan de verwoestende effecten van het misbruik in hun geheugen gegrift: de angst voor herhaling (de voetstappen op de trap), de schaamte (als anderen het maar niet te weten komen) en weerloosheid (als ik het vertel, word ik weggestuurd). En .. de eenzaamheid, het feit dat je het aan niemand kan vertellen, dat niemand je gelooft, dat het misbruik niet wordt erkend.
Aanvragers bij de Raadkamer Statuut komen in zekere zin ook verhaal maken. Ze hopen op een antwoord op hun vragen over het verleden. Waarom was de beschuldigde zo gewelddadig en waarom was ik juist het slachtoffer, waarom loopt de misbruikende jeugdzorgwerker nog ongestraft rond?
Het Schadefonds werkt soms maanden lang aan antwoorden op die vragen. Aan de hoorzitting van de Raadkamer Statuut gaat een lange periode vooraf waarin de aanvrager samen met een van de juristen een dossier aanlegt. Daarin worden proces verbalen, briefjes van dokters, e-mails, geboorteregister, salarisstroken verzameld. Het vraagt veel van aanvragers die klus te klaren, maar misschien is het toch de moeite waard. Immers het aanleggen van een dossier maakt het mogelijk voor aanvragers om met een neutraal derde persoon nog eens naar dat moeilijke leven te kijken. Het biedt de mogelijkheid de eigen levensgeschiedenis vanuit een nieuw perspectief te bekijken en opnieuw te vertellen.
Daarom is het misschien wel niet zo erg dat het even duurt om dat dossier te maken. Met de vorming van het dossier wordt het verhaal immers opnieuw geschreven. Eenmaal op de hoorzitting is het verhaal al voor het grootste deel verteld. Dan volgt de erkenning door de Commissie van het Schadefonds en is verhaal gehaald.
www.schadefonds.nl
dinsdag 16 december 2014
Van ‘tijdelijke gril’ naar ‘the next step’: op naar een Slachtofferherstel Organisatie
Door: Nina Huygen, directeur van het Schadefonds Geweldsmisdrijven
Er is de afgelopen decennia veel verbeterd voor slachtoffers van geweldsdelicten en hun nabestaanden; zowel in wet- en regelgeving als in de uitvoering. Maar er is nog steeds een wereld te winnen. Aan duidelijkheid voor het slachtoffer, samenwerking in ‘de keten’ en samenhang tussen de verschillende arrangementen binnen die keten. Het is tijd om de verschillende, losse, ontstane elementen bij elkaar te brengen en om te smeden naar een goed dienstenaanbod in één loket, dat zich richt op herstel van slachtoffers.
De viering van zijn 75e verjaardag op 8 december jl. stond voor mr. Pieter van Vollenhoven vooral in het teken van Fonds Slachtofferhulp, dat hij 25 jaar geleden had opgericht. Terugblikkend op die beginjaren memoreerde hij hoe zijn aandacht voor slachtoffers van geweldsdelicten en verkeerslachtoffers destijds werd afgedaan als een ‘een tijdelijke gril’. Hij kreeg de handen er maar nauwelijks voor op elkaar.
Nu, 25 jaar later, zijn stille tochten voor slachtoffers van geweld een bekend fenomeen. Het nationale eerbetoon bij de ramp met de MH17 was overweldigend massaal. Er is nu volop aandacht voor en solidariteit met slachtoffers. Zorg voor slachtoffers is politiek en maatschappelijk ‘hot’.
Emancipatie en meer rechten
Niet alleen Van Vollenhoven, ook slachtoffers en nabestaanden zelf zijn zich gaan organiseren en hebben het onderwerp op de agenda gekregen. Dat heeft geleid tot een scala aan rechten op gebied van bejegening en informatie, het spreekrecht, het recht je te voegen in het strafproces om je schade te verhalen. Het spreekrecht is onlangs uitgebreid (onder meer naar aanleiding van de zedenzaak rond Robert M.), zodat ook ouders zich kunnen uitspreken in de rechtszaal. Recent pleitte de voorzitter van de Federatie voor Nabestaanden van Geweldsslachtoffers voor spreekrecht van nabestaanden op tbs-zittingen (VK, 11 december). In reactie daarop liet staatsecretaris Teeven weten dat het ‘nu nog een brug te ver’ is. Maar de formulering van ‘nu nog’ geeft ruimte voor verdere aanpassingen in de toekomst. Kortom: de emancipatie is nog niet voltooid.
Uitvoering verbeterd
Ook in de uitvoering is veel verbeterd. Zoals de introductie van het casemanagement bij Slachtofferhulp Nederland. En bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven de invoering van het ‘burgergericht werken’ met excellente bejegening; en het vereenvoudigen van de tegemoetkoming: van ‘bonnetjes’ naar ‘all in’. Een derde voorbeeld is de wettelijke opdracht aan de rechter zorg te dragen voor een goede bejegening en vaste plek in de rechtszaal voor slachtoffers, en een aparte wachtruimte voor hen daarbuiten.
Een rol voor de overheid
De wijze waarop een samenleving omgaat met slachtoffers is een graadmeter voor de zorgzaamheid en de betrokkenheid van de staat bij zijn burgers. De wijze waarop slachtoffers hun bejegening door de overheid ervaren bepaalt in hoge mate hun perceptie van en houding tegenover die overheid. Door te investeren in hulp en herstel van slachtoffers bindt de overheid haar burgers en geeft ze vertrouwen in de ‘core’ instituties, zoals het recht. Door te investeren wordt bovendien uitval op de lange duur, door psychische schade, voorkomen. Nu gebeurt dat nog te vaak, met alle (economische) gevolgen van dien: ziekteverzuim, studievertraging, ziektekosten. Om van de gevolgen voor de personen zelf nog maar te zwijgen.
De overheid heeft een verantwoordelijkheid en een taak als het gaat om slachtofferzorg. Nu is die nog te versnipperd georganiseerd. Daar ligt een kans op verdere verbetering.
Duidelijkheid voor het slachtoffer
Gelukkig wordt niet iedereen slachtoffer van een geweldsdelict. Maar als zoiets je overkomt, moet er adequate hulp zijn. De toegang tot hulp, ondersteuning, erkenning en compensatie moet simpel en effectief zijn. Zonder poespas. Nu is dat niet altijd zo. Voor praktische, emotionele en juridische ondersteuning kun je terecht bij Slachtofferhulp. Voor een financiële tegemoetkoming bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Of bij je verzekering. Of bij de dader. Via het strafrecht. Of met een civiele procedure. En dan is er ook nog Fonds Slachtofferhulp. En o ja, in ernstige zaken heeft de politie familierechercheurs ter beschikking en de Officier van Justitie kan je ook bijstaan voor juridische vragen en begeleiding in het strafproces. En trouwens, die ondersteuning biedt Slachtofferhulp in sommige gevallen ook.
Je moet bijna het institutionele landschap kennen om te weten bij wie je waarvoor moet aankloppen. Dat kan toch simpeler? Het moet voor een slachtoffer niet uitmaken hoe ‘het veld’ of ‘de keten’ is georganiseerd. Dat is een ‘next step’ om te nemen.
Samenwerken en samenhang
In mijn ogen is het tijd om te werken aan een stevige ‘slachtofferzuil’ binnen het Justitiedomein van de overheid. Niet om daarmee alle verantwoordelijkheid weg te halen bij daders en slachtoffers zelf – integendeel. Maar wel om optimale, heldere en toegankelijke ondersteuning te bieden aan mensen die een heftige ervaring van een geweldsdelict overkomt, voor zover ze dat nodig hebben. We moeten niet wachten tot mensen vastlopen. Mensen zijn enorm veerkrachtig, maar hebben soms ondersteuning nodig om een heftige gebeurtenis te boven te komen, te herstellen. Erkenning geven dat het om iets ernstigs gaat, dat rechten zijn geschonden, is een onderdeel van die weg naar herstel. En een financiële tegemoetkoming is dat ook.
Goede dienstverlening voorop
Door een meelevende en respectvolle bejegening ervaren burgers dat ze deel uitmaken van een gemeenschap die om hen geeft. Dat geldt voor elke burger, en voor slachtoffers in het bijzonder. Een passende behandeling krijgen gaat verder dan hulp. Het gaat erom op een goede manier te verwerken wat er is gebeurd en verder te kunnen na zo’n ingrijpende gebeurtenis. Het gaat om herstel.
Geen valse tegenstellingen
Een aantal nuanceringen wil ik wel plaatsen. De lijn tussen daders en slachtoffers is vaak wel, maar niet altijd te trekken. Soms is het slachtoffer degene die het hardst of het eerst naar de politie rent, na een knokpartij. Dat merkt ook de reclassering, die een onderzoek liet uitvoeren naar slachtoffergericht werken binnen hun organisatie.
Een andere is deze. Het is goed dat de dader verantwoordelijk wordt gesteld voor zijn daden. Maar is het in alle gevallen reëel dat de kosten altijd en volledig op een dader wordt verhaald? Niet alleen vanuit het perspectief van haalbaarheid (‘van een kale kip valt niet te plukken’), maar ook vanuit het oogpunt van legitimiteit. Je hebt je straf uitgezeten, moet resocialiseren, maar hebt nog wel een hoge schuld af te lossen aan het slachtoffer. Gaat je dat lukken? En gaat het helpen bij de zo gewenste resocialisatie?
Dat zijn vragen waar we goed over moeten nadenken voordat we klakkeloos roepen dat alles beter voor het slachtoffer moet. Aandacht voor slachtoffers: zeer terecht. Van Vollenhoven is al lang geen roepende meer in de woestijn. Maar we moeten niet doorslaan, en geen valse tegenstellingen creëren tussen zorg voor slachtoffers en voor daders. De overheid heeft een verantwoordelijkheid naar beiden.
Naar een Slachtofferherstel Organisatie
Alle verbeteringen tot nu toe zijn vooral gebaseerd op incidentele ontwikkelingen bij de slachtoffergerichte organisaties. Dat maakt dat op dit moment juist in de samenhang nog veel winst valt te boeken. Zodat slachtoffers ook echt één ingang krijgen, waarachter zich excellente dienstverlening organiseert, inclusief de financiële kant. Die ze nu nog veel te vaak niet weten te vinden doordat de doorverwijzing niet optimaal loopt. In mijn ogen zouden we het Schadefonds Geweldsmisdrijven en Slachtofferhulp Nederland moeten samenvoegen tot een Slachtofferherstel Organisatie, die verder professionaliseren en positioneren als een ‘zuil’ binnen het Justitie domein. Dat is mijn droom voor de ‘één loket’ gedachte uit het regeerakkoord. Daar is geen 25 jaar voor nodig, voor 2020 kan het er staan. Aan de slag!
www.schadefonds.nl
woensdag 8 oktober 2014
Van bonnetjes naar all in-tegemoetkomingen
Door: Siewert Lindenbergh, hoogleraar privaatrecht Erasmus Universiteit Rotterdam, lid commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven
Het Schadefonds Geweldsmisdrijven neemt een historische stap
Op 15 oktober maakt het Schadefonds Geweldsmisdrijven een grote stap in zijn tegemoetkomingspraktijk: voortaan ontvangen aanvragers geen aparte vergoedingen meer voor verschillende schadeposten, maar een tegemoetkoming in één som. Niet langer hoeven slachtoffers met letsel door een geweldsmisdrijf bonnetjes aan te dragen; zij ontvangen afhankelijk van de ernst van hun letsel een rond bedrag, in zes categorieën variërend van € 1.000 tot € 35.000. Daarmee wil het Schadefonds het tegemoetkomende karakter van het bedrag benadrukken, benadeelden ontlasten van het uitmeten van hun schade en bureaumedewerkers van het controleren en berekenen van opgevoerde schadeposten.
Toen ik een jaar geleden toetrad tot de commissie van het Schadefonds Geweldsmisdrijven vielen mij drie dingen op. De organisatie bleek veel minder bureaucratisch dan ik had verwacht: medewerkers zoeken actief telefonisch contact met slachtoffers en proberen hen praktisch te ondersteunen in hun aanvraag om een tegemoetkoming. Maar hoewel de wet spreekt over tegemoetkomingen bij ernstig letsel, viel mij op dat er – bezien vanuit mijn ervaring met de letselschadepraktijk – ook vaak in gevallen van betrekkelijk gering letsel tegemoetkomingen worden verstrekt. Inmiddels begrijp ik dat wel: iedereen die door een geweldsmisdrijf is getroffen wordt immers in ernstige mate geraakt. Het meest verrassende vond ik evenwel dat – hoewel het Schadefonds tegemoetkomingen verstrekt – de toekenningen wel 26 verschillende, vaak vooral kleine schadeposten betroffen (reiskosten, kosten van een nieuwe matras, telefoonkosten, et cetera), die bovendien tot achter de komma werden uitgerekend. Tegelijkertijd bracht het karakter van de tegemoetkoming en het daaraan door de wet gestelde maximum mee dat lang niet alle kosten werden vergoed.
In de loop van het afgelopen jaar is de bestaande praktijk heroverwogen, mede naar aanleiding van onderzoek onder ‘klanten’ van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Uit dat onderzoek blijkt dat zij vaak tevreden zijn met de door hen ontvangen tegemoetkomingen, maar dat hun tevredenheid sterk afhangt van de snelheid en wijze van afhandeling van hun verzoek en van de mate waarin het ontvangen bedrag aan hun verwachtingen voldoet. De overgang naar zes categorieën van all in-bedragen zal naar verwachting de snelheid van afhandeling en de voorspelbaarheid van de uitkomst vergroten. Ook heeft een rol gespeeld dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven het afgelopen jaar ervaring heeft opgedaan met de toewijzing van all in-bedragen in gevallen van seksueel misbruik. Het Schadefonds voert sinds een jaar twee compensatieregelingen uit voor slachtoffers van seksueel misbruik in jeugdzorginstellingen. Volgens die regelingen worden tegemoetkomingen verstrekt waarvan de hoogte afhankelijk is van de aard en ernst van het misbruik, zonder dat slachtoffers worden belast met het bewijs van de gevolgen van het misbruik in de financiële en immateriële sfeer.
Volgens het oude beleid moesten slachtoffers niet alleen aantonen dat en hoe zij het slachtoffer waren geworden van een geweldsmisdrijf, maar ook welke concrete schade zij als gevolg daarvan hadden geleden. Het gevolg daarvan is dat iemand vooral moet terugblikken op wat er is gebeurd en dat hij zich moet concentreren op de omvang van de nare gevolgen daarvan. Praktisch betekent het ook dat die gevolgen moeten worden onderbouwd, met verklaringen, bonnetjes en andere bewijsstukken. Dat kost tijd en negatieve energie. Volgens het nieuwe beleid blijft het nodig om duidelijk te maken hoe iemand het slachtoffer is geworden van een geweldsmisdrijf, maar wordt vervolgens aan de hand van de ernst van het fysieke of psychische letsel vastgesteld welke tegemoetkomingsbedrag daar bij past. Bewijs van de gevolgen van het letsel in concrete gevallen is dus niet meer nodig. Die vereenvoudiging is niet alleen van belang voor slachtoffers die een aanvraag doen, maar ook voor hun hulpverleners, zoals medewerkers van Slachtofferhulp Nederland, advocaten en anderen.
Bij letsel vindt aan de hand van de ernst van het letsel volgens een door deskundigen opgestelde letsellijst een indeling plaats in één van de zes categorieën. Per categorie geldt een vast tegemoetkomingsbedrag: € 1.000, € 2.500, € 5.000, € 10.000, € 20.000 of € 35.000. Bij complexe letsels is het meest ernstige letsel leidend voor de indeling in een categorie. Ook in gevallen van (enkel) psychisch letsel wordt met deze zes categorieën gewerkt, en vindt de indeling plaats op basis van objectieve informatie van behandelaars (diagnose, behandelingsduur). Bij bepaalde geweldsmisdrijven en bij seksueel misbruik wordt vanwege de ernst van het delict het bestaan van psychisch letsel zonder nader bewijs verondersteld.
Bij overlijden door een geweldsmisdrijf ontvangen nabestaanden een vast bedrag (€ 5.000) ongeacht welke concrete schade zij lijden. Daarnaast vindt er bij overlijden nog wel enig maatwerk plaats: alleen degene die kosten voor de uitvaart heeft gemaakt kan daarvoor een tegemoetkoming ontvangen, met een maximum van € 7.500. En alleen degenen die door het overlijden levensonderhoud hebben gederfd ontvangen daarvoor nog een extra bedrag.
Met deze grote stap hoopt het Schadefonds Geweldsmisdrijven het aanvragen en afhandelen van tegemoetkomingen eenvoudiger te maken, zodat slachtoffers van geweldsmisdrijven eerder erkenning vinden van het onrecht en het leed dat hun is aangedaan. Een vlottere afwikkeling, waarbij meer aandacht mogelijk is voor de persoon van de getroffene en minder voor de administratie van schadeposten, kan er bovendien aan bijdragen dat het slachtoffer de blik eerder op een nieuwe toekomst kan richten. Het is een voorrecht om daaraan een bijdrage te mogen leveren.
www.schadefonds.nl
Het Schadefonds Geweldsmisdrijven neemt een historische stap
Op 15 oktober maakt het Schadefonds Geweldsmisdrijven een grote stap in zijn tegemoetkomingspraktijk: voortaan ontvangen aanvragers geen aparte vergoedingen meer voor verschillende schadeposten, maar een tegemoetkoming in één som. Niet langer hoeven slachtoffers met letsel door een geweldsmisdrijf bonnetjes aan te dragen; zij ontvangen afhankelijk van de ernst van hun letsel een rond bedrag, in zes categorieën variërend van € 1.000 tot € 35.000. Daarmee wil het Schadefonds het tegemoetkomende karakter van het bedrag benadrukken, benadeelden ontlasten van het uitmeten van hun schade en bureaumedewerkers van het controleren en berekenen van opgevoerde schadeposten.
Toen ik een jaar geleden toetrad tot de commissie van het Schadefonds Geweldsmisdrijven vielen mij drie dingen op. De organisatie bleek veel minder bureaucratisch dan ik had verwacht: medewerkers zoeken actief telefonisch contact met slachtoffers en proberen hen praktisch te ondersteunen in hun aanvraag om een tegemoetkoming. Maar hoewel de wet spreekt over tegemoetkomingen bij ernstig letsel, viel mij op dat er – bezien vanuit mijn ervaring met de letselschadepraktijk – ook vaak in gevallen van betrekkelijk gering letsel tegemoetkomingen worden verstrekt. Inmiddels begrijp ik dat wel: iedereen die door een geweldsmisdrijf is getroffen wordt immers in ernstige mate geraakt. Het meest verrassende vond ik evenwel dat – hoewel het Schadefonds tegemoetkomingen verstrekt – de toekenningen wel 26 verschillende, vaak vooral kleine schadeposten betroffen (reiskosten, kosten van een nieuwe matras, telefoonkosten, et cetera), die bovendien tot achter de komma werden uitgerekend. Tegelijkertijd bracht het karakter van de tegemoetkoming en het daaraan door de wet gestelde maximum mee dat lang niet alle kosten werden vergoed.
In de loop van het afgelopen jaar is de bestaande praktijk heroverwogen, mede naar aanleiding van onderzoek onder ‘klanten’ van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Uit dat onderzoek blijkt dat zij vaak tevreden zijn met de door hen ontvangen tegemoetkomingen, maar dat hun tevredenheid sterk afhangt van de snelheid en wijze van afhandeling van hun verzoek en van de mate waarin het ontvangen bedrag aan hun verwachtingen voldoet. De overgang naar zes categorieën van all in-bedragen zal naar verwachting de snelheid van afhandeling en de voorspelbaarheid van de uitkomst vergroten. Ook heeft een rol gespeeld dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven het afgelopen jaar ervaring heeft opgedaan met de toewijzing van all in-bedragen in gevallen van seksueel misbruik. Het Schadefonds voert sinds een jaar twee compensatieregelingen uit voor slachtoffers van seksueel misbruik in jeugdzorginstellingen. Volgens die regelingen worden tegemoetkomingen verstrekt waarvan de hoogte afhankelijk is van de aard en ernst van het misbruik, zonder dat slachtoffers worden belast met het bewijs van de gevolgen van het misbruik in de financiële en immateriële sfeer.
Volgens het oude beleid moesten slachtoffers niet alleen aantonen dat en hoe zij het slachtoffer waren geworden van een geweldsmisdrijf, maar ook welke concrete schade zij als gevolg daarvan hadden geleden. Het gevolg daarvan is dat iemand vooral moet terugblikken op wat er is gebeurd en dat hij zich moet concentreren op de omvang van de nare gevolgen daarvan. Praktisch betekent het ook dat die gevolgen moeten worden onderbouwd, met verklaringen, bonnetjes en andere bewijsstukken. Dat kost tijd en negatieve energie. Volgens het nieuwe beleid blijft het nodig om duidelijk te maken hoe iemand het slachtoffer is geworden van een geweldsmisdrijf, maar wordt vervolgens aan de hand van de ernst van het fysieke of psychische letsel vastgesteld welke tegemoetkomingsbedrag daar bij past. Bewijs van de gevolgen van het letsel in concrete gevallen is dus niet meer nodig. Die vereenvoudiging is niet alleen van belang voor slachtoffers die een aanvraag doen, maar ook voor hun hulpverleners, zoals medewerkers van Slachtofferhulp Nederland, advocaten en anderen.
Bij letsel vindt aan de hand van de ernst van het letsel volgens een door deskundigen opgestelde letsellijst een indeling plaats in één van de zes categorieën. Per categorie geldt een vast tegemoetkomingsbedrag: € 1.000, € 2.500, € 5.000, € 10.000, € 20.000 of € 35.000. Bij complexe letsels is het meest ernstige letsel leidend voor de indeling in een categorie. Ook in gevallen van (enkel) psychisch letsel wordt met deze zes categorieën gewerkt, en vindt de indeling plaats op basis van objectieve informatie van behandelaars (diagnose, behandelingsduur). Bij bepaalde geweldsmisdrijven en bij seksueel misbruik wordt vanwege de ernst van het delict het bestaan van psychisch letsel zonder nader bewijs verondersteld.
Bij overlijden door een geweldsmisdrijf ontvangen nabestaanden een vast bedrag (€ 5.000) ongeacht welke concrete schade zij lijden. Daarnaast vindt er bij overlijden nog wel enig maatwerk plaats: alleen degene die kosten voor de uitvaart heeft gemaakt kan daarvoor een tegemoetkoming ontvangen, met een maximum van € 7.500. En alleen degenen die door het overlijden levensonderhoud hebben gederfd ontvangen daarvoor nog een extra bedrag.
Met deze grote stap hoopt het Schadefonds Geweldsmisdrijven het aanvragen en afhandelen van tegemoetkomingen eenvoudiger te maken, zodat slachtoffers van geweldsmisdrijven eerder erkenning vinden van het onrecht en het leed dat hun is aangedaan. Een vlottere afwikkeling, waarbij meer aandacht mogelijk is voor de persoon van de getroffene en minder voor de administratie van schadeposten, kan er bovendien aan bijdragen dat het slachtoffer de blik eerder op een nieuwe toekomst kan richten. Het is een voorrecht om daaraan een bijdrage te mogen leveren.
www.schadefonds.nl
maandag 15 september 2014
Winst
Door: Ludo Goossens, Voorzitter Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven
Het Schadefonds Geweldsmisdrijven geeft aan slachtoffers met ernstig psychisch of fysiek letsel een financiële tegemoetkoming, en erkent daarmee het onrecht dat hen is aangedaan. Zo draagt het Schadefonds bij aan herstel van vertrouwen. Het Schadefonds is een zelfstandig onderdeel van het ministerie van Veiligheid en Justitie.
Het Schadefonds Geweldsmisdrijven werd in het midden van de jaren zeventig als onafhankelijke instelling namens de staat in het leven geroepen om slachtoffers van ernstig geweld tegemoet te komen bij het te bovenkomen van de gevolgen van het onrecht dat hun is aangedaan. De invalshoek was vooral een financiële.
Ook in Europees verband is zo’n fonds verplicht geworden.
Sinds die tijd is er veel ten goede veranderd voor die slachtoffers: er is een regeling gekomen, waardoor slachtoffers in het strafproces op betrekkelijk eenvoudige wijze hun schade kunnen verhalen en er is voor de meest ernstige misdrijven een voorschotregeling gekomen. Daardoor, in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel, hoeven slachtoffers niet langer onnodig te wachten op het moment dat de dader geld heeft om te betalen.
Er is dus belangrijke winst geboekt. En dit is nog alleen het financiële deel.
Ook op vlak van bejegening is belangrijk werk verricht. Slachtoffers hebben een positie in de rechtszaak gekregen. Er is een slachtofferorganisatie gekomen die op alle mogelijke punten ondersteuning verleent.
Het Schadefonds heeft actief aan die ontwikkeling bij gedragen.
Maar meer en meer wordt duidelijk dat het slachtofferbeleid in Nederland en Europa erg incidenteel is ontwikkeld. Ik geef voorbeelden:
• de financiële regelingen voor seksueel misbruik in de jeugdzorg
• de tijdelijke regeling openlijk geweld
• de preventie regeling overvallen
Dit zijn stuk voor stuk nuttige, noodzakelijke en belangrijke regelingen, maar zij roepen de vraag op: waarom deze wel en andere niet?
Waarom wel openlijk geweld en niet vernieling?
Waarom wel seksueel misbruik in de jeugdzorg maar niet mishandeling?
Waarom wel jeugdzorg, maar niet psychiatrie of blinden- en andere instituten?
Waarom niet méér structurele regelingen voor andere incidenten waar de staat haar beschermende rol voor burgers heeft laten liggen en waarvoor steeds weer incidentele regelingen voor schadeloosstelling worden ontworpen? Denk aan incidenten als de veteranenziekte in Hoogkarspel, Q-koorts, dijkdoorbraak Wilnis en de brand in Moerdijk.
Telkens leiden dit soort incidenten tot maatschappelijke en politieke discussies.
Telkens ook komt in die discussie weer naar voren dat slachtoffers het moeilijk vinden zich op een goede wijze te verhouden tot de overheid die als onpersoonlijk en bureaucratisch en juridisch wordt ervaren.
Als Schadefonds hebben we die kille benadering van slachtoffers achter ons gelaten en zijn we persoonlijker, actiever en empathischer geworden in de begeleiding van slachtoffers.
De resultaten zijn spectaculair.
Slachtoffers geven aan zich gehoord en erkend te voelen in het contact met medewerkers en commissieleden van het Schadefonds. Zij geven ook te kennen het fijn te vinden persoonlijk benaderd te worden en begeleiding te krijgen.
De nieuwe manier van werken van het Schadefonds draagt bij aan meer vertrouwen in Justitie en de overheid in brede zin.
Ik wil bepleiten om in de eerste plaats eens echt in samenhang, ook met private partijen als verzekeraars, te gaan bekijken waar burgers (onderling via verzekeraars bijvoorbeeld) verantwoordelijkheid kunnen dragen en nemen. En in het verlengde daarvan waar de overheid in zijn beschermende rol tekort is geschoten en daarom een taak heeft in vergoeding van schade of leniging van de ergste financiële nood.
In de tweede plaats wil ik diezelfde overheid uitnodigen om, veel meer dan tot nu toe, gebruik te maken van de expertise die er bij het Schadefonds is opgebouwd. Expertise om schade te bepalen, en de burger daarin op menselijke en fatsoenlijke wijze te begeleiden.
Ik ben ervan overtuigd dat daarmee een belangrijke stap gezet zal worden in het herstel van vertrouwen van de burger in de overheid.
Het Schadefonds Geweldsmisdrijven geeft aan slachtoffers met ernstig psychisch of fysiek letsel een financiële tegemoetkoming, en erkent daarmee het onrecht dat hen is aangedaan. Zo draagt het Schadefonds bij aan herstel van vertrouwen. Het Schadefonds is een zelfstandig onderdeel van het ministerie van Veiligheid en Justitie.
Het Schadefonds Geweldsmisdrijven werd in het midden van de jaren zeventig als onafhankelijke instelling namens de staat in het leven geroepen om slachtoffers van ernstig geweld tegemoet te komen bij het te bovenkomen van de gevolgen van het onrecht dat hun is aangedaan. De invalshoek was vooral een financiële.
Ook in Europees verband is zo’n fonds verplicht geworden.
Sinds die tijd is er veel ten goede veranderd voor die slachtoffers: er is een regeling gekomen, waardoor slachtoffers in het strafproces op betrekkelijk eenvoudige wijze hun schade kunnen verhalen en er is voor de meest ernstige misdrijven een voorschotregeling gekomen. Daardoor, in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel, hoeven slachtoffers niet langer onnodig te wachten op het moment dat de dader geld heeft om te betalen.
Er is dus belangrijke winst geboekt. En dit is nog alleen het financiële deel.
Ook op vlak van bejegening is belangrijk werk verricht. Slachtoffers hebben een positie in de rechtszaak gekregen. Er is een slachtofferorganisatie gekomen die op alle mogelijke punten ondersteuning verleent.
Het Schadefonds heeft actief aan die ontwikkeling bij gedragen.
Maar meer en meer wordt duidelijk dat het slachtofferbeleid in Nederland en Europa erg incidenteel is ontwikkeld. Ik geef voorbeelden:
• de financiële regelingen voor seksueel misbruik in de jeugdzorg
• de tijdelijke regeling openlijk geweld
• de preventie regeling overvallen
Dit zijn stuk voor stuk nuttige, noodzakelijke en belangrijke regelingen, maar zij roepen de vraag op: waarom deze wel en andere niet?
Waarom wel openlijk geweld en niet vernieling?
Waarom wel seksueel misbruik in de jeugdzorg maar niet mishandeling?
Waarom wel jeugdzorg, maar niet psychiatrie of blinden- en andere instituten?
Waarom niet méér structurele regelingen voor andere incidenten waar de staat haar beschermende rol voor burgers heeft laten liggen en waarvoor steeds weer incidentele regelingen voor schadeloosstelling worden ontworpen? Denk aan incidenten als de veteranenziekte in Hoogkarspel, Q-koorts, dijkdoorbraak Wilnis en de brand in Moerdijk.
Telkens leiden dit soort incidenten tot maatschappelijke en politieke discussies.
Telkens ook komt in die discussie weer naar voren dat slachtoffers het moeilijk vinden zich op een goede wijze te verhouden tot de overheid die als onpersoonlijk en bureaucratisch en juridisch wordt ervaren.
Als Schadefonds hebben we die kille benadering van slachtoffers achter ons gelaten en zijn we persoonlijker, actiever en empathischer geworden in de begeleiding van slachtoffers.
De resultaten zijn spectaculair.
Slachtoffers geven aan zich gehoord en erkend te voelen in het contact met medewerkers en commissieleden van het Schadefonds. Zij geven ook te kennen het fijn te vinden persoonlijk benaderd te worden en begeleiding te krijgen.
De nieuwe manier van werken van het Schadefonds draagt bij aan meer vertrouwen in Justitie en de overheid in brede zin.
Ik wil bepleiten om in de eerste plaats eens echt in samenhang, ook met private partijen als verzekeraars, te gaan bekijken waar burgers (onderling via verzekeraars bijvoorbeeld) verantwoordelijkheid kunnen dragen en nemen. En in het verlengde daarvan waar de overheid in zijn beschermende rol tekort is geschoten en daarom een taak heeft in vergoeding van schade of leniging van de ergste financiële nood.
In de tweede plaats wil ik diezelfde overheid uitnodigen om, veel meer dan tot nu toe, gebruik te maken van de expertise die er bij het Schadefonds is opgebouwd. Expertise om schade te bepalen, en de burger daarin op menselijke en fatsoenlijke wijze te begeleiden.
Ik ben ervan overtuigd dat daarmee een belangrijke stap gezet zal worden in het herstel van vertrouwen van de burger in de overheid.
vrijdag 25 juli 2014
Luisteren naar slachtoffers
Door: Nina Huygen, Directeur Schadefonds Geweldsmisdrijven
Het Schadefonds Geweldsmisdrijven is er om erkenning te geven voor het onrecht dat slachtoffers met ernstig letsel is aangedaan. Dat doet het Schadefonds in de vorm van een financiële bijdrage en sinds kort ook door de manier van werken. Ons werk bestaat uit het nemen van een besluit in een juridische context. Voorheen was dat een schriftelijk proces, geschreven in juristentaal. Dat hebben we de afgelopen twee jaar veranderd naar: persoonlijk, informeel en oplossingsgericht. We schrijven in gewone taal en we bellen met aanvragers. We vragen daarbij naar hun belangen bij de aanvraag en we leggen uit wat ze van ons kunnen verwachten. En uiteindelijk lichten we ons besluit ook toe. De belangen, en daarmee vaak ook emoties, komen nu dus ook aan bod. We beslissen en we luisteren.
Uit een klanttevredenheidsonderzoek, waar onlangs twee rechtenstudenten op afstudeerden, blijkt klip en klaar dat onze nieuwe manier van werken bijdraagt aan de ervaren erkenning.
Slachtoffers zijn uiteraard meer tevreden wanneer zij wel geld krijgen dan wanneer zij dat niet krijgen. Maar die tevredenheid zit hem niet alleen in het geld. Bij een positieve beslissing wordt de beslissing gewaardeerd met een 7,5 maar de tevredenheid over het Schadefonds in zijn geheel wordt gewaardeerd met een 7,9. Erkenning zit hem dus niet alleen in de tegemoetkoming zelf, maar ook in de manier van werken. Dat blijkt ook uit het onderzoek: significant meer procedurele rechtvaardigheid, minder boosheid en bedroefdheid, meer erkenning en meer tevredenheid met de nieuwe manier van werken ten opzichte van de vroegere werkwijze.
En dat sluit weer aan bij de volgende bevinding van het onderzoek. Gevraagd naar welke aspecten respondenten belangrijk vinden bij het doen van een aanvraag, scoren 'erkend worden als slachtoffer' (4.45 op een schaal van 5) en 'een rechtvaardigheidsgevoel krijgen' (4.40) het hoogst. En pas daarna 'een financiële uitkering krijgen' (3.75).
Onze nieuwe werkwijze, die wij burgergericht werken noemen, draagt bij aan het aanvaarden van de uitkomst, ook als de aanvraag wordt afgewezen. Onze medewerkers krijgen die feedback rechtstreeks nu zij bellen met aanvragers. Dat is niet altijd makkelijk, soms zijn dat heftige gesprekken. Maar ze horen ook de waardering en krijgen dan terug: 'Ik ben teleurgesteld over de uitkomst, maar ik begrijp het besluit wel'; 'U heeft er goed naar gekeken, ik voel mij serieus genomen' en: 'Bedankt dat u naar me heeft willen luisteren, dat betekende veel voor me'.
Andere organisaties die ook rechtstreeks met slachtoffers te maken hebben - zoals politie, Openbaar Ministerie en rechterlijke macht - kunnen van deze ervaringen leren. Ook zij kunnen bijdragen aan erkenning van slachtoffers door hun manier van werken.
De belangrijkste aanbeveling uit het onderzoek was: meer naamsbekendheid. Meerdere respondenten waren blij met het bestaan van het Schadefonds maar gaven aan pas laat op de hoogte van het bestaan ervan te zijn geraakt. En dat vonden ze jammer. Daar moeten we wat mee. Hierbij roep ik een ieder op die slachtoffers van geweld met ernstig letsel kent of ermee werkt, te wijzen op het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Bekijk onze film ‘Het belang van het Schadefonds voor slachtoffers van geweld’. Stuur hem door, zet op Facebook, Twitter enzovoorts. Zodat slachtoffers ons weten te vinden. Slachtoffers die hen voor zijn gegaan vragen er zelf om. Laten we naar ze luisteren.
www.schadefonds.nl
Het Schadefonds Geweldsmisdrijven is er om erkenning te geven voor het onrecht dat slachtoffers met ernstig letsel is aangedaan. Dat doet het Schadefonds in de vorm van een financiële bijdrage en sinds kort ook door de manier van werken. Ons werk bestaat uit het nemen van een besluit in een juridische context. Voorheen was dat een schriftelijk proces, geschreven in juristentaal. Dat hebben we de afgelopen twee jaar veranderd naar: persoonlijk, informeel en oplossingsgericht. We schrijven in gewone taal en we bellen met aanvragers. We vragen daarbij naar hun belangen bij de aanvraag en we leggen uit wat ze van ons kunnen verwachten. En uiteindelijk lichten we ons besluit ook toe. De belangen, en daarmee vaak ook emoties, komen nu dus ook aan bod. We beslissen en we luisteren.
Uit een klanttevredenheidsonderzoek, waar onlangs twee rechtenstudenten op afstudeerden, blijkt klip en klaar dat onze nieuwe manier van werken bijdraagt aan de ervaren erkenning.
Slachtoffers zijn uiteraard meer tevreden wanneer zij wel geld krijgen dan wanneer zij dat niet krijgen. Maar die tevredenheid zit hem niet alleen in het geld. Bij een positieve beslissing wordt de beslissing gewaardeerd met een 7,5 maar de tevredenheid over het Schadefonds in zijn geheel wordt gewaardeerd met een 7,9. Erkenning zit hem dus niet alleen in de tegemoetkoming zelf, maar ook in de manier van werken. Dat blijkt ook uit het onderzoek: significant meer procedurele rechtvaardigheid, minder boosheid en bedroefdheid, meer erkenning en meer tevredenheid met de nieuwe manier van werken ten opzichte van de vroegere werkwijze.
En dat sluit weer aan bij de volgende bevinding van het onderzoek. Gevraagd naar welke aspecten respondenten belangrijk vinden bij het doen van een aanvraag, scoren 'erkend worden als slachtoffer' (4.45 op een schaal van 5) en 'een rechtvaardigheidsgevoel krijgen' (4.40) het hoogst. En pas daarna 'een financiële uitkering krijgen' (3.75).
Onze nieuwe werkwijze, die wij burgergericht werken noemen, draagt bij aan het aanvaarden van de uitkomst, ook als de aanvraag wordt afgewezen. Onze medewerkers krijgen die feedback rechtstreeks nu zij bellen met aanvragers. Dat is niet altijd makkelijk, soms zijn dat heftige gesprekken. Maar ze horen ook de waardering en krijgen dan terug: 'Ik ben teleurgesteld over de uitkomst, maar ik begrijp het besluit wel'; 'U heeft er goed naar gekeken, ik voel mij serieus genomen' en: 'Bedankt dat u naar me heeft willen luisteren, dat betekende veel voor me'.
Andere organisaties die ook rechtstreeks met slachtoffers te maken hebben - zoals politie, Openbaar Ministerie en rechterlijke macht - kunnen van deze ervaringen leren. Ook zij kunnen bijdragen aan erkenning van slachtoffers door hun manier van werken.
De belangrijkste aanbeveling uit het onderzoek was: meer naamsbekendheid. Meerdere respondenten waren blij met het bestaan van het Schadefonds maar gaven aan pas laat op de hoogte van het bestaan ervan te zijn geraakt. En dat vonden ze jammer. Daar moeten we wat mee. Hierbij roep ik een ieder op die slachtoffers van geweld met ernstig letsel kent of ermee werkt, te wijzen op het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Bekijk onze film ‘Het belang van het Schadefonds voor slachtoffers van geweld’. Stuur hem door, zet op Facebook, Twitter enzovoorts. Zodat slachtoffers ons weten te vinden. Slachtoffers die hen voor zijn gegaan vragen er zelf om. Laten we naar ze luisteren.
www.schadefonds.nl
woensdag 25 juni 2014
De vlucht
Door: Carol van Nijnatten, Lid Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven
Je kunt een kind uit een misbruiksituatie halen, maar kan je het misbruik ook uit het kind halen? Deze variatie op de slogan van Warchild drong zich op na het lezen van de debuutroman ‘De vlucht’ van de Spaanse schrijver Jesús Carrasaco. Het is het verhaal van een jongen die door de rechter van zijn woonplaats en met medeweten van zijn vader is misbruikt.
Meer komen we over het verleden niet te weten. Des te meer over wat er daarna gebeurt. Een barbaarse vlucht over het onherbergzame Spaanse platteland. De jongen trekt op met een geitenhoeder die als geen ander de droogte, de honger en onrust kent van de trektocht. Zij reizen ’s nacht zodat niemand ze ziet, stoken geen vuur opdat hun achtervolgers hen niet ontdekken en maken geen contact met andere mensen zodat zij niet worden verraden.
We weten weinig over wat er is voorgevallen, maar lezen alles over de verschrikkelijke gevolgen: de levenslange vlucht voor het verleden, de opsluiting in de geschiedenis en de permanente angst terug te vallen in de klauwen van de verkrachter. Hoe ontstellend moet het misbruik niet zijn als het slachtoffer de vlucht verkiest, weg van het dagelijkse leven met andere mensen?
De verzengende hitte van het Spaanse platteland en de dagelijkse schaarste aan water symboliseren de situatie van het misbruikte kind. Water is leven. De dagelijkse kwelling van dorst die met vervuild water wordt gelest, verwijst naar het gevecht van misbruikslachtoffers nog een zin in hun leven te ontdekken.
Is de vlucht een bevrijding? Ja, het is de verlossing van de verkrachter, zeker als de vluchteling erin slaagt zich aan de greep van het verleden te ontworstelen. De vlucht is ook de drang te overleven. Bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven zien we dat slachtoffers er uiteindelijk, vaak in de tweede helft van hun leven, toch in slagen het vertrouwen in andere mensen te herstellen doordat zij - met een financiële tegemoetkoming - eindelijk erkenning hebben gekregen voor het onrecht dat hun lange tijd is aangedaan.
www.schadefonds.nl
Je kunt een kind uit een misbruiksituatie halen, maar kan je het misbruik ook uit het kind halen? Deze variatie op de slogan van Warchild drong zich op na het lezen van de debuutroman ‘De vlucht’ van de Spaanse schrijver Jesús Carrasaco. Het is het verhaal van een jongen die door de rechter van zijn woonplaats en met medeweten van zijn vader is misbruikt.
Meer komen we over het verleden niet te weten. Des te meer over wat er daarna gebeurt. Een barbaarse vlucht over het onherbergzame Spaanse platteland. De jongen trekt op met een geitenhoeder die als geen ander de droogte, de honger en onrust kent van de trektocht. Zij reizen ’s nacht zodat niemand ze ziet, stoken geen vuur opdat hun achtervolgers hen niet ontdekken en maken geen contact met andere mensen zodat zij niet worden verraden.
We weten weinig over wat er is voorgevallen, maar lezen alles over de verschrikkelijke gevolgen: de levenslange vlucht voor het verleden, de opsluiting in de geschiedenis en de permanente angst terug te vallen in de klauwen van de verkrachter. Hoe ontstellend moet het misbruik niet zijn als het slachtoffer de vlucht verkiest, weg van het dagelijkse leven met andere mensen?
De verzengende hitte van het Spaanse platteland en de dagelijkse schaarste aan water symboliseren de situatie van het misbruikte kind. Water is leven. De dagelijkse kwelling van dorst die met vervuild water wordt gelest, verwijst naar het gevecht van misbruikslachtoffers nog een zin in hun leven te ontdekken.
Is de vlucht een bevrijding? Ja, het is de verlossing van de verkrachter, zeker als de vluchteling erin slaagt zich aan de greep van het verleden te ontworstelen. De vlucht is ook de drang te overleven. Bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven zien we dat slachtoffers er uiteindelijk, vaak in de tweede helft van hun leven, toch in slagen het vertrouwen in andere mensen te herstellen doordat zij - met een financiële tegemoetkoming - eindelijk erkenning hebben gekregen voor het onrecht dat hun lange tijd is aangedaan.
www.schadefonds.nl
woensdag 4 juni 2014
"Niet alles van waarde kan je tellen"
Door: Frans Beerling, Lid Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven
"Niet alles dat je kan tellen is van waarde.” Dit citaat schoot door mijn hoofd toen ik voor het eerst een jaarverslag van het Schadefonds las en constateerde dat het € 0,50 kost om € 1,- toe te kennen. Ik nam het verslag 2012 door bij mijn voorbereiding op mijn sollicitatie voor de rol van commissielid. Mijn automatische reactie was: ‘dat kan toch niet waar zijn?’ Tegelijkertijd drong tot me door dat de kern van het Schadefonds dus niet ligt in een strategisch en economisch verantwoorde bedrijfsvoering. Het draait om solidariteit en erkenning met slachtoffers. ‘Winst’, mijn ‘normale’ invalshoek bij bedrijven, is bij het Schadefonds niet wat je telt. Het recente onderzoek van Mulder is daar klip en klaar over. De samenleving wil erkenning van de positie van slachtoffers en erkennen kost geld.
Toch blijven rode lampjes bij mij branden. Kosten zijn nu eenmaal de achillespees van een publieke organisatie, zeker in tijden van bezuinigingen. Discussie over kosten kan je voor zijn door goede dienstverlening en een sterke relatie met je opdrachtgever (beiden in mijn beleving dik op orde bij het Schadefonds) maar een kritische kijk op diensten en kosten blijft onontbeerlijk.
Sinds eind 20 ste eeuw is de positie van slachtoffers aanzienlijk versterkt. Daar is het Schadefonds mede debet aan. Het is de vraag of de dienstverlening van het Schadefonds in voldoende mate is meegegroeid met die veranderde positie van het slachtoffer. Wat dat betreft kijk ik met interesse naar de voorschotregeling en de verrekening van onze uitkering bij CJIB. We mogen er van uitgaan dat voeging/aansprakelijk stelling en andere middelen steeds meer door weerbare slachtoffers worden ingezet. Het ligt dus in de lijn van de ontwikkelingen dat de uitkering van het Schadefonds steeds vaker zal worden verrekend, zeker wanneer het geringere uitkeringen betreft. Het is de vraag hoe slachtoffers de solidariteit en erkenning van de zijde van het Schadefonds bij verrekening blijven beleven. Een ander effect bij meer verrekening is dat het Schadefonds, bij ongewijzigd beleid, feitelijk steeds minder uitbetaalt en dat de kosten per toegekende euro steeds hoger worden.
Heeft dat dan nog een werkelijk toegevoegde waarde? Verrekenen van solidariteit voelt niet goed. Het heeft de schijn van een rekening achteraf. De dienstverlening van het Schadefonds krijgt de schijn van rondpompen van gelden. Beleidsmatig staan wij als Schadefonds voor de vraag of onze huidige vorm van dienstverlening nog past bij veranderende positie van slachtoffers en of de huidige vorm van erkenning dan opweegt tegen de kosten.
Een schot voor de boeg? Ik verwacht dat een blijvende toegevoegde waarde voor het Schadefonds ligt bij het verlenen van alleen die erkenning en solidariteit die niet wordt verrekend (het laatste deel van het citaat is toegeschreven aan Einstein).
www.schadefonds.nl
"Niet alles dat je kan tellen is van waarde.” Dit citaat schoot door mijn hoofd toen ik voor het eerst een jaarverslag van het Schadefonds las en constateerde dat het € 0,50 kost om € 1,- toe te kennen. Ik nam het verslag 2012 door bij mijn voorbereiding op mijn sollicitatie voor de rol van commissielid. Mijn automatische reactie was: ‘dat kan toch niet waar zijn?’ Tegelijkertijd drong tot me door dat de kern van het Schadefonds dus niet ligt in een strategisch en economisch verantwoorde bedrijfsvoering. Het draait om solidariteit en erkenning met slachtoffers. ‘Winst’, mijn ‘normale’ invalshoek bij bedrijven, is bij het Schadefonds niet wat je telt. Het recente onderzoek van Mulder is daar klip en klaar over. De samenleving wil erkenning van de positie van slachtoffers en erkennen kost geld.
Toch blijven rode lampjes bij mij branden. Kosten zijn nu eenmaal de achillespees van een publieke organisatie, zeker in tijden van bezuinigingen. Discussie over kosten kan je voor zijn door goede dienstverlening en een sterke relatie met je opdrachtgever (beiden in mijn beleving dik op orde bij het Schadefonds) maar een kritische kijk op diensten en kosten blijft onontbeerlijk.
Sinds eind 20 ste eeuw is de positie van slachtoffers aanzienlijk versterkt. Daar is het Schadefonds mede debet aan. Het is de vraag of de dienstverlening van het Schadefonds in voldoende mate is meegegroeid met die veranderde positie van het slachtoffer. Wat dat betreft kijk ik met interesse naar de voorschotregeling en de verrekening van onze uitkering bij CJIB. We mogen er van uitgaan dat voeging/aansprakelijk stelling en andere middelen steeds meer door weerbare slachtoffers worden ingezet. Het ligt dus in de lijn van de ontwikkelingen dat de uitkering van het Schadefonds steeds vaker zal worden verrekend, zeker wanneer het geringere uitkeringen betreft. Het is de vraag hoe slachtoffers de solidariteit en erkenning van de zijde van het Schadefonds bij verrekening blijven beleven. Een ander effect bij meer verrekening is dat het Schadefonds, bij ongewijzigd beleid, feitelijk steeds minder uitbetaalt en dat de kosten per toegekende euro steeds hoger worden.
Heeft dat dan nog een werkelijk toegevoegde waarde? Verrekenen van solidariteit voelt niet goed. Het heeft de schijn van een rekening achteraf. De dienstverlening van het Schadefonds krijgt de schijn van rondpompen van gelden. Beleidsmatig staan wij als Schadefonds voor de vraag of onze huidige vorm van dienstverlening nog past bij veranderende positie van slachtoffers en of de huidige vorm van erkenning dan opweegt tegen de kosten.
Een schot voor de boeg? Ik verwacht dat een blijvende toegevoegde waarde voor het Schadefonds ligt bij het verlenen van alleen die erkenning en solidariteit die niet wordt verrekend (het laatste deel van het citaat is toegeschreven aan Einstein).
www.schadefonds.nl
dinsdag 6 mei 2014
Ongeloof
Door: Carol van Nijnatten, Lid Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven
Na bijna veertig jaar werk in en met de kinderbescherming
kan ik nog steeds niet wennen aan het geweld dat kinderen dagelijks ondergaan.
Mijn promotieonderzoek betrof
rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming. Ik spitte voor dat
onderzoek zo’n 150 dikke dossiers door. Ze vertelden de dramatische
geschiedenissen van gebroken gezinnen uit, vooral maar niet alleen, de onderste
klassen van de samenleving. Geen geld, geen baan, geen toekomst en geen zelfbeheersing. Wel een
aaneenschakeling van teleurstelling, drank en geweld. Kinderen waren het
slachtoffer van slaag, verlating,
exploitatie, seksueel misbruik en nog meer slaag. Ook in latere
(dossier)onderzoeken hield het geweld aan. Waren gezinnen echt zo onveilig?
Eind jaren tachtig toonde Nel
Draijer aan dat ruim een op de zeven vrouwen een of meerdere keren door
familieleden was misbruikt. Ik kon het eigenlijk niet geloven. Dat kon toch gewoon
niet waar zijn. Was het nu echt nodig dat er in Mexicostad tijdens spitsuren
speciale metro’s reden waar alleen vrouwen in werden toegelaten?
Waren mannen
echt zo …?
Toen ik begin deze eeuw steeds
vaker las dat seksueel misbruik van kinderen ook baby’s en peuters betrof en
dat recentelijk nog eens werd bevestigd door het strafrechtelijk onderzoek naar
het misbruik door Robert M, dacht ik ‘dat moeten toch fabeltjes zijn’. Wie wil
er nu met een kind, een peuter …?
Sinds een klein jaar ben ik lid van de Raadkamer Statuut,
dat is een afdeling van het Schadefonds die beslist of slachtoffers van
seksueel misbruik in de jeugdzorg in aanmerking komen voor een financiële vergoeding
door de jeugdzorginstelling.
Nu lees en hoor ik de verhalen van de slachtoffers zelf.
Hoe zij, vaak jarenlang, seksueel geweld moesten ondergaan, hoe zij het aan
niemand konden of durfden te vertellen, hoe ze aan hun lot waren overgelaten.
Soms vertellen ze hun verhaal met schroom en schaamte,
soms kunnen ze het alleen vertellen door de mond van een vertrouwenspersoon. Hun
verhalen zijn geloofwaardig. Ik geloof ze. Maar zouden jeugdzorgwerkers nu echt
…?
Dat blijf ik ongelooflijk vinden.
www.schadefonds.nl
woensdag 2 april 2014
Financieel herstel slachtoffers
Door: Ludo Goossens, Voorzitter Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven
Het Schadefonds moet veel meer een rol gaan spelen in het financieel herstel van verhoudingen tussen daders en slachtoffers van misdrijven, ook zelf gaan verhalen op de dader en in het verlengde daarvan de voorschotregeling gaan uitvoeren.
Slachtoffers krijgen een steeds belangrijker plek in onze samenleving. We vinden het niet meer dan normaal dat zij worden gecompenseerd voor hun schade. We vinden het ook steeds logischer dat de dader de schadevergoeding betaalt. Maatschappelijk is daarover nauwelijks of geen discussie meer.
Die gedachte brengt mij op de vraag welke rol het Schadefonds kan spelen in een vorm van strafrechtspleging die zich meer en meer richt op herstel.
Herstel van onrecht, herstel van vertrouwen, financieel herstel. Nu is die rol, door de manier waarop die is gegroeid, het betalen van een tegemoetkoming in de schade door de staat bij ernstig geweld, nogal beperkt.
Marc Groenhuijsen pleit ervoor om de klassieke invalshoeken op (schijnbare tegenstellingen tussen) strafrecht en herstelrecht los te laten omdat door het benadrukken van tegenstellingen het verder versterken van de positie van het slachtoffer wordt bemoeilijkt.
Ik ben het daarmee van harte eens.
Ik zou willen dat ook het Schadefonds in die ontwikkelingen meer dan nu uitdrukkelijk een positie kiest.
Vernieuwend
De Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven (artikel 6) maakt het mogelijk schadevergoeding toe te kennen en de staat die vergoeding te laten verhalen op de dader. In de praktijk gebeurt dat helaas bijna nooit. Ik denk dat – als we aan die regel op slimme en vernieuwende wijze invulling geven - de positie van het Schadefonds binnen de strafrechtspleging meer gericht kan zijn op dat financieel herstel.
Om te beginnen moet het wettelijk kader aangepast worden zodat het mogelijk wordt dat het Schadefonds zich kan voegen in de strafrechtelijke procedure. Uiteraard in het geval dat het Schadefonds de benadeelde partij een uitkering gaf voor de geleden schade of zal geven. Ontvangt het Schadefonds een bedrag van de dader, dan wordt dat verrekend met het uitgekeerde bedrag. Een eventueel surplus komt ten goede aan het slachtoffer. Zowel de Staat als het slachtoffer kunnen van een dergelijke regeling profiteren.
Financieel herstel
Ik bepleit dus dat het Schadefonds zich - naast het doen van uitkeringen uit de staatskas - in de toekomst, meer dan nu vanuit een eigen positie (ook in de strafprocedure), gaat bezig houden met de financiële kant van het herstel tussen dader en slachtoffer.
Daarvoor is nodig dat we de mogelijkheden om te verhalen op de dader actief ontwikkelen en benutten.
Tenslotte ligt het, als deze ontwikkeling vorm krijgt, dan ook voor de hand om de uitvoering van de voorschotregeling die hoort bij de schadevergoedingsmaatregel, te laten uitvoeren door het Schadefonds. Als organisatie die recht doet aan slachtoffers. De uitvoering ligt nu bij het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB), de inningsorganisatie van het openbaar bestuur.
Op die wijze kunnen wij nog beter, ook in termen van herstelrecht, bijdragen aan het herstel van vertrouwen van slachtoffers in de brede zin van dat woord.
[1] Tijdschrift voor Herstelrecht 2010 (10) 4
maandag 3 maart 2014
Elke dag ‘Dag van het slachtoffer’
Op 22 februari. was het weer de ‘Europese dag van het Slachtoffer’, de dag waarop Europa stilstaat bij slachtoffers. Ze verdienen het in de belangstelling te staan en serieus genomen te worden. Dat er wordt nagedacht over wat en waar het beter kan om te zorgen dat slachtofferschap wordt voorkomen, dat ze een volwaardige positie krijgen in het (straf-)recht. En dat er goede ondersteuning is voor wie dat nodig heeft op emotioneel, juridisch, financieel en medisch gebied.
Slachtoffers verdienen het om niet alleen op die ene Europese dag, maar om elke dag in de belangstelling te staan, bij alle organisaties en mensen die met ze te maken hebben. Bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven is dat zo. Het is met enkele andere organisaties, een slachtoffergerichte organisatie. Al bijna 40 jaar lang bekijken wij hoe wij slachtoffers van geweldsdelicten met ernstig psychisch of lichamelijk letstel een financiële tegemoetkoming kunnen geven, en daarmee erkenning en een steuntje in de rug. Zodat ze weer in hun eigen kracht kunnen komen.
In september 2013 heeft het Schadefonds er een nieuwe taak bijgekregen: een financiële tegemoetkoming verstrekken aan slachtoffers van seksueel misbruik in jeugdzorginstellingen en pleeggezinnen.
Kinderen die vanwege een onveilige thuissituatie onder verantwoordelijkheid van de overheid in een jeugdzorginstelling of pleeggezin worden geplaatst mogen daar een veilige omgeving verwachten. Dat ze daar soms slachtoffer zijn geworden van seksueel misbruik is niet te bevatten. Het is helaas op veel grotere schaal voorgekomen dan ‘incidenteel’, heeft de Commissie Samson vastgesteld in haar onderzoek dat in 2012 is gepresenteerd. Het is daarom goed dat de overheid naar aanleiding van het rapport excuses aan alle slachtoffers heeft gemaakt en regelingen heeft getroffen voor financiële tegemoetkoming in de schade. De tegemoetkoming maakt onderdeel uit van een breder hulppakket dat de overheid en Jeugdzorg Nederland aanbieden aan slachtoffers of hun nabestaanden. Daarnaast werkt de overheid aan structurele maatregelen om herhaling te voorkomen.
Sinds september zijn ruim 200 aanvragen ingediend bij het Schadefonds. In november zijn de eerste beslissingen genomen en inmiddels is aan 23 mensen een tegemoetkoming verstrekt die varieert van 2.500 tot 22.500 euro.
Op 21 februari, aan de vooravond van de Europse dag van het slachtoffer, vindt de eerste hoorzitting plaats bij het Schadefonds in het kader van deze regeling. Tijdens de hoorzitting vertelt het slachtoffer zijn of haar verhaal. De beschuldigde krijgt de gelegenheid daarop te reageren. Een spannend moment voor slachtoffers. Maar ook voor de medewerkers van het Schadefonds, die slachtoffers recht willen doen. Elke dag weer.
Nina Huygen is directeur van het Schadefonds Geweldsmisdrijven
Slachtoffers verdienen het om niet alleen op die ene Europese dag, maar om elke dag in de belangstelling te staan, bij alle organisaties en mensen die met ze te maken hebben. Bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven is dat zo. Het is met enkele andere organisaties, een slachtoffergerichte organisatie. Al bijna 40 jaar lang bekijken wij hoe wij slachtoffers van geweldsdelicten met ernstig psychisch of lichamelijk letstel een financiële tegemoetkoming kunnen geven, en daarmee erkenning en een steuntje in de rug. Zodat ze weer in hun eigen kracht kunnen komen.
In september 2013 heeft het Schadefonds er een nieuwe taak bijgekregen: een financiële tegemoetkoming verstrekken aan slachtoffers van seksueel misbruik in jeugdzorginstellingen en pleeggezinnen.
Kinderen die vanwege een onveilige thuissituatie onder verantwoordelijkheid van de overheid in een jeugdzorginstelling of pleeggezin worden geplaatst mogen daar een veilige omgeving verwachten. Dat ze daar soms slachtoffer zijn geworden van seksueel misbruik is niet te bevatten. Het is helaas op veel grotere schaal voorgekomen dan ‘incidenteel’, heeft de Commissie Samson vastgesteld in haar onderzoek dat in 2012 is gepresenteerd. Het is daarom goed dat de overheid naar aanleiding van het rapport excuses aan alle slachtoffers heeft gemaakt en regelingen heeft getroffen voor financiële tegemoetkoming in de schade. De tegemoetkoming maakt onderdeel uit van een breder hulppakket dat de overheid en Jeugdzorg Nederland aanbieden aan slachtoffers of hun nabestaanden. Daarnaast werkt de overheid aan structurele maatregelen om herhaling te voorkomen.
Sinds september zijn ruim 200 aanvragen ingediend bij het Schadefonds. In november zijn de eerste beslissingen genomen en inmiddels is aan 23 mensen een tegemoetkoming verstrekt die varieert van 2.500 tot 22.500 euro.
Op 21 februari, aan de vooravond van de Europse dag van het slachtoffer, vindt de eerste hoorzitting plaats bij het Schadefonds in het kader van deze regeling. Tijdens de hoorzitting vertelt het slachtoffer zijn of haar verhaal. De beschuldigde krijgt de gelegenheid daarop te reageren. Een spannend moment voor slachtoffers. Maar ook voor de medewerkers van het Schadefonds, die slachtoffers recht willen doen. Elke dag weer.
Nina Huygen is directeur van het Schadefonds Geweldsmisdrijven
woensdag 20 november 2013
Empowerment slachtoffers verder gebracht!
Door:Ludo
Goossens, Voorzitter Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven
Staatssecretaris Teeven heeft een wetsvoorstel ingediend om
het spreekrecht van slachtoffers te versterken en de groep van betrokkenen die
een beroep kunnen doen op het Schadefonds uit te breiden[1]. Het Schadefonds juicht die wijzigingen toe.
We doen dat met name omdat we staan voor empowerment van slachtoffers.
Nina Huygen, directeur van het Schadefonds, en ik bepleitten
dat al in het Liber Amicorum voor ons commissielid Jan van Dijk in december
2012, bij zijn afscheid als hoogleraar in Tilburg.[2]
Versterken
spreekrecht
Want naast compensatie in financiële zin voor geleden schade
vinden wij dat ook de daadwerkelijke juridische positie van het slachtoffer kan
en moet worden versterkt.
Dat zal bijdragen aan het herstel van vertrouwen van
slachtoffers in de samenleving en in het
recht.
Wij merken maandelijks in hoorzittingen met slachtoffers
weer hoezeer het enkele feit dat zij inhoudelijk hun verhaal kunnen doen, hen oplucht en hen weer een stukje verloren
gegaan terrein kan geven. Soms zien we zelfs
dat wij als Schadefonds hiermee steken, die in het stafproces zijn gevallen, hebben
gecompenseerd.
Aanspreekbaarheid
Bij de versterking van de formele positie van het
slachtoffer in de rechtszaal hoort natuurlijk ook dat het slachtoffer in zekere
zin kwetsbaarder wordt. Of liever gezegd aanspreekbaarder. Dat is minder
paternalistisch. Want wie een standpunt in de rechtszaal inneemt, moet dat
standpunt ook willen en kunnen uitleggen en verdedigen.
Maar wie zijn wij, professionals in de strafrechtspleging om
op voorhand het oordeel te vellen dat slachtoffers daartoe wel of niet in staat
zullen zijn?
Ik zou veel liever bepleiten dat wij - en nu in mijn rol als
strafrechter - leren om zo’n moeilijk
facet van het strafproces dan in goede banen te gaan leiden. Wij kunnen dat
doen door verwachtingen van slachtoffers zo te hanteren dat die binnen
realistische grenzen blijven, door hen volwassen en aanspreekbaar in de
rechtszaal te positioneren, door daadwerkelijk het gesprek met hen aan te gaan,
door vragen aan slachtoffers in goede banen te leiden, maar vooral door te
zorgen dat gesprek met slachtoffers een ‘gewoon’ onderdeel van het gesprek in
de rechtszaal wordt.
Dan kan ook de berechting van een verdachte bijdragen aan
empowerment van het slachtoffer.
Meer slachtoffers een
financiële tegemoetkoming bieden
Naast de versterking van het spreekrecht wordt op termijn
ook de groep slachtoffers die een financiële tegemoetkoming van het Schadefonds
Geweldsmisdrijven uitgebreid. Natuurlijk zijn wij blij met de compensatie die
wij gaan geven aan nabestaanden van slachtoffers van ernstige
verkeersmisdrijven (artikel 6 van de Wegenverkeerswet). Als Schadefonds zien
wij echter geen goede reden om nabestaanden van slachtoffers van ernstige
arbeidsongevallen (Arbo wetgeving) in dit opzicht anders te behandelen. We
hebben dit onder de aandacht gebracht van de staatssecretaris en vertrouwen er
op dat hij ook daar grondig naar zal kijken.
Zo ontwikkelt het Schadefonds zich meer en meer tot de
organisatie in Nederland die namens de overheid brede groepen van gedupeerden
compensatie biedt en daarmee bijdraagt aan herstel van vertrouwen.
woensdag 23 oktober 2013
Genoegdoening in Haren: over creatieve oplossingen en de symbolische waarde daarvan
Door: Nina Huygen, Directeur Schadefonds Geweldsmisdrijven
Op 21 september 2012 werd er in een Gronings plaatsje een “feestje” aangekondigd onder de titel ‘Project X Haren’. Duizenden jongeren kwamen erop af. Het liep uit de hand.
Naast een enorme ravage bleef ook het gevoel over: ‘Dit moeten we toch niet pikken?!’ Inderdaad, dat pikt de overheid ook niet langer! Over een creatieve oplossing die de rekening daar legt waar die hoort en gedupeerden echt helpt. Niet alleen materieel, maar ook symbolisch van groot belang.
Want waarom moeten burgers opdraaien voor schade die door andere burgers is veroorzaakt? Natuurlijk, het OM kan de daders vervolgen en doet dat ook. Maar met een gevangenisstraf hebben gedupeerden hun schade nog niet vergoed. En dat voelt niet goed. Daarom werd een nieuw middel aan het vervolgingsarsenaal van het OM toegevoegd. Naar aanleiding van deze rellen is het Schadefonds Geweldsmisdrijven door het OM Groningen gevraagd of zij een speciaal op te richten fonds voor de slachtoffers wil beheren. Het Schadefonds voert de regeling nu uit. En die blijkt meer succes te hebben dan van tevoren was ingeschat.
De aanloop
Na de rellen vorderde het OM voor het eerst in oktober 2012 voor de politierechter enkele meerderjarige daders om een geldbedrag van €500,- in het Schadefonds Geweldsmisdrijven te laten storten. Dat werd door de rechter afgewezen. Bij enkele minderjarige daders werd een storting van een geldbedrag van 250 euro gevorderd. Eind oktober dienden nog meer strafzaken, waarbij ook meerderjarige daders zijn veroordeeld tot betaling van een geldbedrag. Het OM stelde hoger beroep in tegen een van de uitspraken van de rechter. Het hof heeft bij arrest van 22 november 2012 de vordering van de bijzondere voorwaarde tot storting van een geldbedrag in het fonds toegewezen.
Vastgelegd in een regeling
Het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft naar aanleiding van deze rellen een regeling gemaakt, waarbij veroordeelde daders bij wijze van bijzondere voorwaarde een geldbedrag in een fonds moeten storten. De regeling is bedoeld om een gebaar te maken: daders van openlijk geweld betalen voor hun vernielingen. Als het fonds niet was opgericht, dan hadden de slachtoffers niets ontvangen.
Het geld dat in het fonds wordt gestort komt ten goede aan de slachtoffers die een beroep doen op de regeling. De hoogte van het bedrag dat gedupeerden krijgen is afhankelijk van het totale bedrag dat daders hebben gestort in het fonds en het aantal gedupeerden dat een aanvraag indient.
Voorheen moest er een causaal verband zijn tussen de schade van slachtoffers en concrete daders. Dat is vaak lastig aan te tonen. Nu hoeft dat niet meer. Waar slachtoffers voorheen bleven zitten met de kosten, krijgen ze nu (een deel) ervan betaald uit deze ‘dader-pot’.
Het Schadefonds Geweldsmisdrijven, dat al 37 jaar lang ervaring heeft met het uitkeren van geld aan slachtoffers, voert deze regeling uit. De Regeling tegemoetkoming schade openlijk geweld is 27 februari gepubliceerd in de Staatscourant en is zo ontworpen dat deze ook bruikbaar is voor vergelijkbare toekomstige incidenten.
Resultaten voor gedupeerden Haren
Gedupeerden in Haren konden tot 15 april een aanvraag indienen.
Donderdag 21 maart heeft het Schadefonds informatiebijeenkomsten gegeven aan gedupeerden van de rellen in Haren. Tijdens deze bijeenkomsten is verteld waarom de Regeling tegemoetkoming schade openlijk geweld tot stand is gekomen, wie er voor de regeling in aanmerking komen en hoe gedupeerden een aanvraag kunnen indienen.
Het blijkt dat verzekeringsmaatschappijen al veel schade hebben vergoed en een deel van de slachtoffers heeft geen behoefte aan een tegemoetkoming omdat zij beperkte schade hebben. De aanwezige slachtoffers waardeerden de persoonlijke benadering van het Schadefonds.
Gedupeerden die een aanvraag indienen krijgen allemaal eenzelfde tegemoetkoming. Deze bestaat uit de som van het totaal door daders betaalde bedrag, gedeeld door het aantal mensen dat een aanvraag heeft ingediend bij het Schadefonds. De uitkering is alleen nooit hoger dan de werkelijk geleden schade.
Het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft 23 aanvragen ontvangen van gedupeerden van de rellen in Haren. 18 daarvan kwamen in aanmerking voor de regeling. De 5 aanvragen die niet gehonoreerd werden betrof bedrijven (2), terwijl de regeling is bedoeld voor particulieren of ZZP-ers, of de schade was al volledig vergoed (2). Een iemand diende een aanvraag in voor rellen ergens anders in het land dan Haren.
Bij elkaar claimden de 18 gedupeerden een bedrag van €17.000, - Op 1 oktober zat er maar liefst 14.200 euro in de pot. Dat betekent dat een het merendeel van de mensen hun volledige schade vergoed krijgt. En een klein deel heeft in ieder geval een forse tegemoetkoming in de schade. In een aantal zaken van verdachten van de rellen loopt nog hoger beroep. Het geld dat nog extra in de pot komt, zal worden verdeeld onder de slachtoffers die nog een restbedrag hebben open staan.
Opbrengst en vervolg
Op basis van de ervaring met de regeling zoals toegepast bij ‘Project X Haren’ zeg ik: een mooi resultaat. In de eerste plaats natuurlijk voor de gedupeerden. Ook al zijn het er niet veel, de symbolische waarde strekt verder dan die 18 mensen. Maar daarnaast en vooral ook voor de hele samenleving. De regeling laat zien dat daders de consequentie van hun ‘feestelijke’ gedrag zelf mogen dragen en daarmee bijdragen aan genoegdoening voor slachtoffers. Wat ons betreft, mag deze regeling vaker worden toegepast.
www.schadefonds.nl
Abonneren op:
Posts (Atom)